Rechtspraak
Feiten
ZN werkte voor GSP Offshore op een olieplatform. Bij brief van 21 februari 2024 heeft GSP Offshore aan al haar werknemers, waaronder ZN, meegedeeld dat OMV Petrom Energy Solutions SRL (hierna: 'OMV Petrom') haar personeel zou overnemen omdat de onderneming middels een op 8 februari 2024 tussen beide vennootschappen gesloten overeenkomst was overgegaan (hierna: 'betrokken overgang'). OMV Petrom is dus de nieuwe werkgever van deze werknemers geworden. OMV Petrom heeft aan de advocaat van ZN meegedeeld dat volgens haar de loonaanspraken die GSP Offshore op de datum van de betrokken overgang verschuldigd was voor het werk dat ZN vóór die datum voor GSP Offshore had verricht, voor rekening van die laatste vennootschap bleven, zodat OMV Petrom niet verplicht was om die loonaanspraken uit te betalen. De rechter heeft de vordering tegen GSP Offshore afgewezen, omdat deze rechten en plichten zouden zijn overgegaan op OMV Petrom en het Roemeense recht geen hoofdelijke aansprakelijkheid kent. De verwijzende rechter vraagt zich af of deze uitlegging strookt met het beschermingsdoel van de richtlijn, temeer nu de verkrijger niet bij machte is de loonaanspraken te voldoen. Meer in het bijzonder vraagt de Roemeense rechter zich af of in dit geval de nationale 'schuldovernemingsbepaling' waarbij instemming van de schuldenaar is vereist niet moet worden beschouwd als een 'gunstigere bepaling' die de automatische overgang van rechten en plichten terzijde kan schuiven.
Oordeel
Het Hof van Justitie EU oordeelt als volgt.
Overgang van rechten en plichten ontslaat in beginsel vervreemder van verplichtingen. Nationale regeling van de contractoverneming die instemming schuldenaar vereist voor overgang van rechten verhoudt zich niet met artikel 3 lid 1 Richtlijn.
Om te beginnen zij opgemerkt dat uit het verzoek om een prejudiciële beslissing blijkt dat de Roemeense wetgever artikel 3, lid 1, eerste alinea, van richtlijn 2001/23 in artikel 5, lid 1, van wet nr. 67/2006 en artikel 173, lid 2, van het arbeidswetboek heeft omgezet, maar dat hij de mogelijkheid van artikel 3, lid 1, tweede alinea, van deze richtlijn niet in die nationaalrechtelijke bepalingen heeft omgezet. Tegelijkertijd vraagt de verwijzende rechter zich af of hij mag aannemen dat een algemene nationale bepaling, met name artikel 1605 van het burgerlijk wetboek, deze mogelijkheid heeft omgezet, aangezien dat artikel de overgang van een schuld afhankelijk stelt van de instemming van de schuldeiser. De verwijzende rechter is immers eerder van oordeel dat in het kader van de betrokken overgang moet worden geoordeeld dat de verplichting tot uitbetaling van de loonaanspraken die de vervreemder vóór het tijdstip van die overgang aan de betrokken werknemer verschuldigd was, bij gebreke van instemming van die werknemer, niet op de verkrijger is overgegaan.
In dit verband zij eraan herinnerd dat het Hof in punt 11 van het arrest van 5 mei 1988, Berg en Busschers (144/87 en 145/87, ECLI:EU:C:1988:236), met betrekking tot artikel 3, lid 1, van richtlijn 77/187, dat in essentie overeenstemde met artikel 3, lid 1, van richtlijn 2001/23, heeft geoordeeld dat de overgang van een onderneming van rechtswege leidt tot de overgang, van vervreemder op verkrijger, van de verplichtingen die voor de werkgever voortvloeien uit de arbeidsovereenkomst of -betrekking, met dien verstande dat de lidstaten kunnen bepalen dat de vervreemder en de verkrijger na de overgang hoofdelijk aansprakelijk zijn. Het Hof heeft daaruit afgeleid dat, tenzij de lidstaten van deze mogelijkheid gebruikmaken, de vervreemder door het enkele feit van de overgang van zijn verplichtingen als werkgever wordt ontslagen en dat dit rechtsgevolg niet afhankelijk is van de instemming van de betrokken werknemers.
Zoals de Europese Commissie in haar schriftelijke opmerkingen opmerkt, zij er evenwel aan herinnerd dat de Unieregelgeving niet zo ruim mag worden toegepast dat zij handelingen zou dekken die zijn verricht met het doel om door fraude of misbruik voordeel te halen uit de door dat recht toegekende voordelen. Uit vaste rechtspraak volgt dat voor het bewijs dat er sprake is van misbruik, enerzijds, een geheel van objectieve omstandigheden vereist is waaruit blijkt dat in weerwil van de formele naleving van de door de Unieregeling opgelegde voorwaarden het door deze regeling beoogde doel niet is bereikt, en anderzijds, een subjectief element noodzakelijk is, namelijk de bedoeling om een door de Unieregeling toegekend voordeel te verkrijgen door kunstmatig de voorwaarden te creëren waaronder het recht op dat voordeel ontstaat (arrest van 30 oktober 2025, Mercedes-Benz Bank en Volkswagen Bank, C-143/23, ECLI:EU:C:2025:837, punten 79 en 81 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Uiteindelijk staat het aan de nationale rechter om na te gaan of er in de bij hem aanhangige zaak sprake is van een dergelijk misbruik door alle feiten en omstandigheden van de zaak in aanmerking te nemen, met inbegrip van de feiten en omstandigheden die volgen op de transactie die misbruik zou opleveren (arrest van 30 oktober 2025, Mercedes-Benz Bank en Volkswagen Bank, C-143/23, ECLI:EU:C:2025:837, punt 82 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Conclusie
Gezien alle voorgaande overwegingen moet op de eerste vraag worden geantwoord dat artikel 3, lid 1, van richtlijn 2001/23 aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen de toepassing, in het kader van een overgang van een onderneming in de zin van die richtlijn, en wat betreft de uitbetaling van de door de vervreemder niet-uitbetaalde loonaanspraken, van een nationale bepaling die de overdracht van een verbintenis tussen twee schuldenaren afhankelijk stelt van de instemming van de schuldeiser, zodat de overgang van de vervreemder op de verkrijger van de verplichtingen met betrekking tot de uitbetaling van deze loonaanspraken afhankelijk zou zijn van de instemming van de betrokken werknemer, en dit ongeacht of deze nationale bepaling een algemeen dan wel bijzonder karakter heeft.
Artikel 8 Richtlijn (gunstigere bepalingen) in casu geen rechtvaardiging
Met zijn tweede vraag verzoekt de verwijzende rechter in essentie of artikel 8 van richtlijn 2001/23 aldus moet worden uitgelegd dat in het kader van een overgang van onderneming in de zin van deze richtlijn, en met betrekking tot de uitbetaling van door de vervreemder niet-uitbetaalde loonaanspraken, een nationale bepaling kan worden toegepast die de overdracht van een verplichting tussen twee schuldenaren afhankelijk stelt van de instemming van de schuldeiser, zodat de verplichtingen betreffende de uitbetaling van deze loonaanspraken slechts van de vervreemder op de verkrijger overgaan indien de betrokken werknemer daarmee instemt. Artikel 8 bepaalt dat deze richtlijn geen afbreuk doet aan de bevoegdheid van de lidstaten om wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen toe te passen of in te voeren die gunstiger zijn voor de werknemers of om de toepassing van collectieve overeenkomsten of tussen de sociale partners gesloten akkoorden te bevorderen of mogelijk te maken die gunstiger zijn voor de werknemers.
De toepassing van nationale bepalingen die gunstiger zijn voor de werknemers, op grond van artikel 8 van richtlijn 2001/23, mag evenwel niet tot gevolg hebben dat afbreuk wordt gedaan aan de minimale bescherming die deze richtlijn, en met name artikel 3, lid 1, daarvan aan werknemers waarborgt en op grond waarvan de uit de arbeidsovereenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van rechtswege op de verkrijger overgaan (zie in die zin en naar analogie, arresten van 19 november 2019, TSN en AKT, C-609/17 en C-610/17, ECLI:EU:C:2019:981, punt 35 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 2 maart 2023, MÁV-START, C-477/21, EU:C:2023:140, punt 51). De toepassing van dergelijke nationale bepalingen mag evenmin afbreuk doen aan de samenhang van deze richtlijn of aan de daarmee nagestreefde doelstellingen (zie in die zin en naar analogie arresten van 19 november 2019, TSN en AKT, C-609/17 en C-610/17, ECLI:EU:C:2019:981, punt 51, en arrest van 12 juni 2025, Tallinna linn, C-219/24, ECLI:EU:C:2025:442, punt 48). Zelfs indien een nationale bepaling, die – zoals artikel 1605 van het burgerlijk wetboek – de overdracht van een verbintenis tussen twee schuldenaren afhankelijk stelt van de instemming van de schuldeiser, gunstiger is voor werknemers dan artikel 3, lid 1, van richtlijn 2001/23, moet evenwel worden vastgesteld dat de toepassing van een dergelijke nationale bepaling in strijd zou zijn met het basisbeginsel dat aan artikel 3, lid 1, ten grondslag ligt, volgens hetwelk de verkrijger door de overgang van rechtswege aansprakelijk wordt voor de uit de arbeidsovereenkomst voortvloeiende verplichtingen, ook wanneer de betrokken werknemers met dat gevolg niet instemmen of zich ertegen verzetten, zoals blijkt uit het antwoord op de eerste vraag. In deze omstandigheden zou de toepassing van een dergelijke nationale bepaling afbreuk doen aan de samenhang van deze richtlijn en aan de minimale bescherming die deze aan de werknemers biedt, in het bijzonder de bescherming die door artikel 3, lid 1, wordt gewaarborgd.
Conclusie
Gezien alle voorgaande overwegingen moet op de tweede vraag worden geantwoord dat artikel 8 van richtlijn 2001/23 aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen de toepassing, in het kader van een overgang van een onderneming in de zin van die richtlijn, en wat betreft de uitbetaling van door de vervreemder niet-uitbetaalde loonaanspraken, van een nationale bepaling die de overdracht van een verplichting tussen twee schuldenaren afhankelijk stelt van de instemming van de schuldeiser, zodat de verplichtingen betreffende de uitbetaling van deze loonaanspraken slechts van de vervreemder op de verkrijger overgaan indien de betrokken werknemer daarmee instemt.
