Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Almere), 27 mei 2026
ECLI:NL:RBMNE:2026:3089
Feiten
Werkneemster stelt dat zij op 1 april 2025 voor de duur van een jaar in dienst is getreden bij werkgeefster. Werkneemster heeft zich op 29 oktober 2025 ziek gemeld. Vanaf februari 2026 heeft zij geen loon meer ontvangen. Werkneemster vordert in kort geding veroordeling van werkgeefster tot betaling van loon. Werkgeefster heeft hiertegen geen verweer gevoerd; tegen haar is verstek verleend.
Oordeel
De kantonrechter gaat uit van de juistheid van de stellingen van werkneemster, gelet op het ontbreken van verweer zijdens werkgeefster. Werkgeefster wordt veroordeeld tot betaling van de verschuldigde loonbetalingen over de maanden februari en maart 2026. Omdat de arbeidsovereenkomst is geëindigd op 1 april 2026 en werkgeefster de gevorderde bedragen niet heeft betwist, zal de kantonrechter werkgeefster ook veroordelen tot betaling van de vakantietoeslag van € 2.139,83 bruto, de eindejaarsuitkering van € 960,98 bruto en de opgenomen, maar niet genoten vakantie uren ten bedrage van € 981,25 bruto. Nu werkgeefster het loon, de vakantietoeslag, de eindejaarsuitkering en de niet genoten vakantie uren niet tijdig heeft betaald, wordt ook de wettelijke verhoging toegewezen. Voor matiging van de wettelijke verhoging ziet de kantonrechter geen aanleiding. De wettelijke rente wordt eveneens toegewezen.
