Rechtspraak
Feiten
Werknemer was als automonteur in dienst bij werkgever. In onderhavige procedure heeft werknemer een arbeidsovereenkomst d.d. 1 april 2009 ingebracht waarin staat dat de CAO Motorvoertuigen en tweewielers van toepassing is op de arbeidsovereenkomst. Ook heeft hij een document aangeleverd met de titel ‘OTHER APPOINTS BETWEEN’, waaruit blijkt dat werknemer van maandag tot en met vrijdag van 08.30 uur tot 18.00 uur werkte. Ook werkte werknemer vijf dagen per week van 18.00 tot 20.00 uur als tegenprestatie voor het gebruik van de woning (in de afspraken aangeduid als ‘cottage’) die werkgever hem ter beschikking stelde (in plaats van huur te betalen). Op zaterdag werkte werknemer tegen een uurloon van € 12,50 en op rally-dagen voor een dagloon van € 150. Met ingang van 15 juni 2019 is werknemer 42,5 uur gaan werken met behoud van salaris. Op 11 september 2019 heeft de boekhouder aan werkgever in een mail laten weten dat het salaris van werknemer per 1 januari 2017 € 3.329 voor 45 uur bedroeg. Vanaf 1 maart 2020 heeft werknemer (met behoud van salaris) 38 uur per week gewerkt. Werknemer is sinds juli 2020 arbeidsongeschikt. Vervolgens is tussen partijen discussie ontstaan over de gewerkte overuren van werknemer. Vanaf 2017 hoefde werknemer immers geen huur meer aan werkgever te betalen, omdat hij samen met zijn partner een eigen huis had gekocht. Op 4 juli 2022 is de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden beëindigd. Partijen hebben finale kwijting afgesproken, waarvan is uitgezonderd de vermeende loonvordering betreffende overwerktoeslag en ADV-uren. In onderhavige procedure vordert werknemer werkgever te veroordelen tot betaling van € 37.622,34 bruto aan achterstallig loon, overwerkvergoeding en ADV-uren, te vermeerderen met de wettelijke verhoging. Hij legt daaraan ten grondslag dat hij structureel vijf dagen per week negen uur per dag heeft gewerkt, terwijl volgens de cao de normale wekelijkse arbeidsduur 38 uur bedraagt en hij ook voor deze omvang is uitbetaald.
Oordeel
De kantonrechter oordeelt als volgt. De vordering van werknemer heeft betrekking op diverse periodes. Voor deze periodes geldt het volgende.
De periode tot 1 januari 2017
Hoewel kan worden aangenomen dat werknemer structureel meer dan 38 uur per week werkte, leidt dit niet tot het door werknemer gewenste resultaat. Partijen zijn namelijk overeengekomen dat een deel van het loon (voor 38 uur) 'wit' werd betaald en een deel van het loon 'zwart'. Werknemer werd immers een woning ter beschikking gesteld waarvoor hij geen huur hoefde te betalen (loon in natura). Werknemer heeft voor deze periode onvoldoende onderbouwd dat hij overuren heeft gemaakt en wat de omvang hiervan is.
De periode vanaf 1 januari 2017 tot 15 juni 2019
Per 1 januari 2017 is het salaris van werknemer significant verhoogd, van € 2.566,16 naar € 3.329,00 bruto. De kantonrechter ziet geen aanleiding werknemer te volgen in zijn stelling dat dit slechts een verhoging betrof van zijn salaris voor 38 uur per week, nu hij tegenover de onderbouwing van werkgever dat zijn salaris hiermee helemaal wit werd betaald enkel heeft aangevoerd dat de loonsverhoging was ingegeven door zijn goede functioneren. De kantonrechter gaat er dus van uit dat het door werknemer ontvangen salaris zag op werkzaamheden gedurende 45 uren per week. De kantonrechter volgt werkgever in zijn standpunt dat werknemer zijn ADV daarmee in geld heeft genoten en er niet nog los aanspraak bestaat op ADV in tijd. Wel is werkgever op grond van de cao een toeslag voor de uren verschuldigd die werknemer boven de 38 uur werkte (zijnde vijf overuren per week). Uit de mail van de boekhouder blijkt immers dat de beloning is gebaseerd op 45 uur per week, maar niet dat daarin ook de toeslagen zijn begrepen.
De periode vanaf 15 juni 2019 tot 1 maart 2020
In de periode vanaf 15 juni 2019 tot 1 maart 2020 heeft werknemer telkens 42,5 uur gewerkt. Daardoor is werknemer over deze periode nog de overwerktoeslag over 2,5 uur verschuldigd.
De periode vanaf 1 maart 2020
Vanaf 1 maart 2020 heeft werknemer de overeengekomen 38 uur gewerkt, zodat hij over deze periode geen recht heeft op betaling van overwerktoeslag en evenmin op een vergoeding voor ADV-uren.
De conclusie is dat werknemer recht heeft op een vergoeding van € 4.271,20 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente. De wettelijke verhoging wordt gematigd tot nihil, nu er jarenlang zonder protest van werknemer uitvoering is gegeven aan de tussen partijen gemaakte afspraken.
