Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 31 maart 2026
ECLI:NL:RBROT:2026:5835
Feiten
Werkneemster werkte sinds 23 mei 2025 bij werkgever als barmedewerkster. Zij is op 30 september 2025 op staande voet ontslagen. Volgens werkneemster is mondeling als reden voor het ontslag gegeven dat zij niet proactief genoeg zou zijn. Werkneemster is het daar niet mee eens, maar legt zich bij het ontslag neer. Zij verzoekt toekenning van een billijke vergoeding, een transitievergoeding en een gefixeerde schadevergoeding. Werkgever is niet verschenen en heeft niet gereageerd.
Oordeel
De kantonrechter oordeelt als volgt. Werkgever was kennelijk niet tevreden over het functioneren van werkneemster. Disfunctioneren kan echter alleen een dringende reden opleveren als de werknemer in ernstige mate de bekwaamheid of geschiktheid blijkt te missen voor het overeengekomen werk. Nergens blijkt uit dat die situatie zich heeft voorgedaan. Daarom wordt ervan uitgegaan dat er geen dringende reden is geweest om de arbeidsovereenkomst onverwijld op te zeggen. Werkneemster heeft recht op een billijke vergoeding van € 1.994 bruto. Dit bedrag komt neer op twee maanden loon inclusief vakantiegeld. Ook is werkgever een transitievergoeding van € 115,10 bruto en een gefixeerde schadevergoeding van € 1004,40 bruto verschuldigd.
