Rechtspraak
Rechtbank Den Haag (Locatie Gouda), 28 mei 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:14158
Feiten
Werknemer is op 12 februari 2018 in dienst getreden bij DJI, laatstelijk als Medior Penitentiair Inrichtingswerker. Op 29 augustus 2018 heeft een collega melding gemaakt van niet integer c.q. ongewenst gedrag van werknemer jegens vier vrouwelijke collega’s. DJI heeft deze melding laten onderzoeken door Bureau Integriteit. Op 2 april 2022 heeft DJI een nieuwe melding over werknemer over ongewenst gedrag ontvangen. Bij brief van 25 mei 2022 heeft werknemer een schriftelijke waarschuwing ontvangen over een incident met een collega en een relatie met een collega die meer was dan alleen een werkrelatie. In november 2022 ontvangt DJI een melding over ongewenst gedrag van werknemer. Werknemer heeft de aanrakingen met betrekking tot de melding van november 2022 ontkend. DJI heeft vervolgens voorgesteld om de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden met werknemer te beëindigen. Bij e-mail van 18 juni 2025 ontvangt DJI via de vertrouwenspersoon opnieuw een melding over werknemer. In die melding is onder andere verklaard dat werknemer een vrouwelijke collega in haar nek/hals zou hebben gekust, haar regelmatig op seksueel geladen wijze zou bekijken en haar fysiek zou aanraken op een wijze die voor haar als ongewenst en ongepast werd ervaren, waaronder het aanraken van haar onderrug en schouders. Mede naar aanleiding van de melding op 18 juni 2025 heeft DJI besloten om Bureau Integriteit opdracht te geven tot het verrichten van een onafhankelijk onderzoek. Werknemer is hierover bij gesprek en brief van 9 juli 2025 geïnformeerd en tevens is aan hem medegedeeld dat hij gedurende het onderzoek zou worden geschorst met behoud van salaris. DJI heeft verzocht om de arbeidsovereenkomst met werknemer te ontbinden op grond van artikel 7:671b lid 1 onderdeel a BW in verbinding met artikel 7:669 lid 3 onderdeel e BW dan wel op de grond van sub g BW.
Oordeel
DJI heeft aan zijn verzoek ten grondslag gelegd de meldingen van juni 2025. Ter ondersteuning worden ook de eerdere meldingen over werknemer daaraan ten grondslag gelegd. Beoordeeld dient te worden of de meldingen van juni 2025 zodanig verwijtbaar zijn dat dit een grond voor ontbinding oplevert. De kantonrechter is van oordeel dat dit niet het geval is en overweegt daartoe het volgende. In het onderzoeksrapport wordt naast de gegeven verklaringen over de incidenten in juni, ook door getuigen bevestigd dat er binnen DJI sprake is van een cultuur waarbij het personeel op een zeer amicale wijze met elkaar omgaat. Hierbij is het heel gebruikelijk dat collega’s elkaar knuffelen, zeer vriendschappelijk met elkaar omgaan en veel privécontact en relaties onderhouden. Gelet op de stellige ontkenning van werknemer en op de wijze waarop collega’s met elkaar omgaan binnen DJI, is naar het oordeel van de kantonrechter niet met zekerheid te zeggen dat de incidenten zich hebben voorgedaan zoals door meldster is geschetst. Er zijn weliswaar getuigen die verklaren dat meldster een schrikbeweging maakte na de kus, maar gelet op de omgangswijze binnen DJI vervagen de grenzen tussen de collega’s. Indien de incidenten als vaststaand worden aangenomen, is er door werknemer een grens overgegaan door het geven van een kus op de wang/nek bij een omhelzing. De kantonrechter acht die grens niet zodanig (ernstig) verwijtbaar in arbeidsrechtelijke zin, dat zonder nadere waarschuwing in de gegeven omstandigheden, deze een grond voor ontbinding wegens verwijtbaar handelen oplevert. Van DJI had mogen worden verwacht dat hij als goed werkgever probeert de-escalerend op te treden door het geven van een officiële waarschuwing en het opstellen van duidelijke interne gedragsregels, eventueel met behulp van het inzetten van coaching of mediation. De door DJI aangehaalde incidenten in 2018 en 2022 die naar zeggen van DJI het gedrag van werknemer bevestigen en versterken, zijn naar het oordeel van de kantonrechter onvoldoende. In 2018 heeft werknemer weliswaar erkend dat hij grensoverschrijdend gedrag heeft getoond, maar hiervoor heeft hij ook een waarschuwing ontvangen en is hij overgeplaatst. Het incident in 2022, wat zou hebben plaatsgevonden, is onvoldoende om extra gewicht toe te kennen aan de meldingen die in juni 2025 zijn gedaan, aangezien onvoldoende is gebleken dat het incident in 2022 volledig was toe te rekenen aan werknemer en ten aanzien van de melding in november 2022 is door DJI niet vastgesteld dat er sprake was van ongewenst gedrag door werknemer. Gelet op het voorgaande zijn de feiten en omstandigheden ten aanzien van de meldingen in juni 2025 onvoldoende om te kwalificeren als verwijtbaar handelen. De door DJI verzochte ontbinding van de arbeidsovereenkomst op de e-grond is dan ook niet toewijsbaar. Tijdens de mondelinge behandeling is echter voldoende gebleken dat de verhoudingen tussen partijen zodanig zijn verstoord en dat er over en weer geen vertrouwen (meer) in elkaar is, dat er onvoldoende basis is om de arbeidsverhouding tussen partijen te normaliseren. Geconstateerd kan worden dat sprake is van verstoring van de arbeidsrelatie, waaraan zowel werknemer als DJI hebben bijgedragen. De functie die werknemer binnen DJI heeft, brengt met zich mee dat hij als ambtenaar binnen een penitentiaire inrichting een voorbeeldfunctie heeft, er een hogere integriteit geldt en dat onderling vertrouwen noodzakelijk is. Gelet op de verstoring die tussen partijen is ontstaan, kan van DJI in redelijkheid niet worden verlangd dat hij de arbeidsovereenkomst met werknemer laat voortduren of hem elders binnen DJI plaatst. De conclusie is dat de kantonrechter het verzoek van DJI zal toewijzen op de g-grond.
