Naar boven ↑

Rechtspraak

IHub Service Centrum B.V./werknemer
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Utrecht), 15 mei 2026
ECLI:NL:RBMNE:2026:2845
Werkgever moet € 160.000 billijke vergoeding betalen aan werknemer die na (klokkenluiders)melding over mogelijke financiële misstand te maken kreeg met beëindigingsvoorstel en stopgezette toeslag.

Feiten

Tussen IHub en werknemer bestond sinds 1 december 2020 een arbeidsovereenkomst. Voor de gedeeltelijke en tijdelijke functie die hij vervulde, ontving hij een maandelijkse ZA-toeslag. In april en mei 2025 waren er enkele spanningen over zijn wijze van samenwerken, zijn rol bij het vertrek van een teamleider en zijn handelwijze rond de jaarrekeningplanning, maar volgens de kantonrechter was toen nog geen sprake van een duurzaam verstoorde arbeidsverhouding. Eind mei en begin juni 2025 meldde werknemer dat hij vermoedens had van een maatschappelijke misstand binnen IHub. Hij stelde dat de financiële verslaglegging niet integer verliep en dat sprake kon zijn van het drukken van het resultaat over 2024 om externe financiering te verkrijgen. Hij besprak dit eerst met de externe vertrouwenspersoon, vervolgens op 3 juni 2025 met zijn leidinggevende, daarna met het Huis voor Klokkenluiders en ten slotte op grond van de interne klokkenluidersregeling met de raad van toezicht. Kort na het gesprek met zijn leidinggevende meldde werknemer zich ziek. De bedrijfsarts adviseerde een time-out en daarna een gesprek om de verhoudingen te herstellen. Op 25 juni 2025 vond een gesprek plaats tussen de leidinggevende en werknemer. De leidinggevende liet weten geen vertrouwen meer te hebben in voortzetting van de samenwerking en bracht een vaststellingsovereenkomst ter beëindiging van de arbeidsovereenkomst ter sprake. Ook hoefde werknemer geen werkzaamheden meer te verrichten. Daarnaast bleek dat de ZA-toeslag zonder voorafgaand overleg was stopgezet. Werknemer stelde zich op het standpunt dat hij daardoor werd benadeeld vanwege zijn klokkenluidersmelding en beriep zich op de bescherming van de Wet bescherming klokkenluiders. Partijen hebben later mediation geprobeerd, maar dat heeft niet tot een oplossing geleid. IHub verzoekt ontbinding van de arbeidsovereenkomst op de g-grond wegens een verstoorde arbeidsverhouding. Werknemer verzoekt ontbinding op de cumulatiegrond en daarnaast een billijke vergoeding, transitievergoeding, betaling van de ZA-toeslag tot het einde van het dienstverband, een correcte eindafrekening en vergoeding van zijn werkelijke advocaatkosten.

Oordeel

De kantonrechter oordeelt dat de melding van werknemer voldoet aan de vereisten van een klokkenluidersmelding. De rechter treedt niet in de inhoudelijke juistheid van de melding, maar beoordeelt of werknemer naar aanleiding daarvan is benadeeld. Vanaf het moment van de melding had werknemer recht op bescherming. Omdat na de melding benadelingshandelingen plaatsvonden, geldt het wettelijk vermoeden dat die benadeling verband houdt met de melding. Het was aan IHub om het tegendeel te bewijzen. Volgens de kantonrechter is dat IHub niet gelukt. Uit de stukken blijkt niet dat de arbeidsverhouding vóór 3 juni 2025 al duurzaam ernstig verstoord was. De situatie escaleerde juist nadat werknemer zijn vermoedens had geuit. Het aanbieden van een vaststellingsovereenkomst kort na de melding en het stopzetten van de ZA-toeslag worden aangemerkt als benadelingshandelingen. IHub had de melding zorgvuldiger en voortvarender moeten behandelen en had zich rekenschap moeten geven van de bescherming die werknemer op grond van de klokkenluidersregeling en de wet toekwam. Door direct op beëindiging aan te sturen en de toeslag eenzijdig stop te zetten, heeft IHub ernstig verwijtbaar gehandeld.

Tegelijkertijd stelt de kantonrechter vast dat de arbeidsverhouding inmiddels duurzaam is verstoord. Partijen hebben gedurende langere tijd geprobeerd tot een oplossing te komen, onder meer via mediation, maar zonder resultaat. Beiden achten een vruchtbare samenwerking niet meer mogelijk. De arbeidsovereenkomst wordt daarom ontbonden op de g-grond per 1 juli 2026. Herplaatsing ligt volgens de rechter niet in de rede vanwege het wederzijds beschadigde vertrouwen. Omdat de ontbinding mede het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen van IHub, kent de kantonrechter aan werknemer een billijke vergoeding toe van € 160.000 bruto. Daarbij weegt de rechter mee dat IHub in strijd met de klokkenluidersbescherming heeft gehandeld, maar ook dat niet aannemelijk is dat werknemer zonder dit handelen tot zijn pensioen bij IHub zou zijn gebleven. Verder moet IHub een transitievergoeding van € 22.948,35 bruto betalen, waarbij de ZA-toeslag wordt meegerekend. Ook moet IHub de ZA-toeslag met terugwerkende kracht vanaf 1 juni 2025 tot het einde van het dienstverband voldoen. De gevorderde volledige proceskosten worden niet toegewezen, maar IHub moet wel € 14.200,56 aan buitengerechtelijke kosten betalen, naast de proceskosten.