Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland (Locatie Alkmaar), 2 juni 2026
ECLI:NL:RBNHO:2026:6358
Feiten
Werkneemster is op 1 maart 2019 in dienst getreden bij Bewindvoering aan Zee in de functie van bewindvoerster. Zij is sinds 25 maart 2025 volledig arbeidsongeschikt. Uit een advies van de arbodienst van 16 oktober 2025 volgt dat sprake is van werkgerelateerde belemmerende factoren en stagnatie in het herstel, waarbij onder meer wordt geadviseerd mediation in te zetten en wordt aangegeven dat werkneemster momenteel niet in staat is om te werken. In een verslag van 1 december 2025 wordt bevestigd dat werkneemster volledig arbeidsongeschikt is en dat herstel niet snel verloopt, met grote beperkingen in het sociaal functioneren. In een inzetbaarheidsprofiel van 5 maart 2026 worden onder meer beperkingen genoemd ten aanzien van vervoer, sociaal functioneren en geluidsbelasting. Op 13 maart 2026 heeft Bewindvoering aan Zee werkneemster een waarschuwing gegeven nadat zij bij een bingo was gezien, waarbij werd gesteld dat dit in strijd is met haar beperkingen en haar herstel belemmert. Op 15 maart 2026 is zij opnieuw naar een bingo gegaan. Vervolgens heeft Bewindvoering aan Zee bij brief van 16 maart 2026 een loonstop toegepast over de periode 16 tot en met 31 maart 2026. Het loon over april 2026 is later wel betaald, maar met vertraging. In een aangepast inzetbaarheidsprofiel van 30 maart 2026 is het onderdeel vervoer aangepast, terwijl de overige beperkingen gelijk zijn gebleven. Werkneemster vordert een verklaring voor recht dat de loonstop onrechtmatig is en dat deze met terugwerkende kracht per 16 maart 2026 moet worden opgeheven, althans dat de loonstop wordt opgeheven. Daarnaast vordert zij betaling van het achterstallige loon over de periode 16 tot en met 31 maart 2026, vermeerderd met de wettelijke verhoging. Ook vordert zij dat de kantonrechter bepaalt dat Bewindvoering aan Zee voorafgaand aan waarschuwingen of het opleggen van loonsancties eerst advies moet vragen aan de bedrijfsarts. Zij stelt daartoe dat de loonstop onterecht is opgelegd en in strijd is met goed werkgeverschap, en dat zij hoe dan ook recht heeft op doorbetaling van loon en wettelijke verhoging. Bewindvoering aan Zee voert verweer en stelt dat de loonstop terecht is opgelegd omdat werkneemster haar genezing belemmert door activiteiten te ondernemen die haaks staan op haar vastgestelde beperkingen. Daarom zou zij geen recht hebben op loon over de betreffende periode. Voor zover loon verschuldigd is, verzoekt Bewindvoering aan Zee om matiging van de wettelijke verhoging.
Oordeel
De kantonrechter stelt voorop dat sprake is van een kort geding waarin een voorlopige voorziening wordt gevraagd en dat het spoedeisend belang volgt uit de aard van de loonvordering. Vaststaat dat de loonbetaling per april 2026 is hervat, zodat uitsluitend de periode 16 tot en met 31 maart 2026 in geschil is. De kantonrechter oordeelt dat Bewindvoering aan Zee de loonbetaling over deze periode heeft mogen staken. Werkneemster is arbeidsongeschikt en heeft in beginsel recht op loon, maar daarop kunnen uitzonderingen bestaan indien zij haar genezing belemmert of vertraagt. Daarvan is hier sprake. Werkneemster heeft kort na elkaar twee bingoavonden bezocht, terwijl uit het inzetbaarheidsprofiel volgt dat zij beperkingen heeft in het omgaan met drukke en rumoerige omgevingen. Ondanks een waarschuwing vooraf heeft zij opnieuw een bingo bezocht. Daarmee heeft zij onvoldoende rekening gehouden met haar verplichting om haar herstel niet te belemmeren. Dat het inzetbaarheidsprofiel later deels is aangepast, maakt dit niet anders. De vordering tot verklaring voor recht en de vordering tot betaling van loon over de periode 16 tot en met 31 maart 2026 worden daarom afgewezen. De gevraagde verplichting om eerst de bedrijfsarts te raadplegen voordat waarschuwingen of sancties worden opgelegd wordt eveneens afgewezen, omdat daarvoor geen wettelijke basis bestaat. Wel is vast komen te staan dat het loon over april 2026 te laat is betaald. Daarom is de wettelijke verhoging daarover verschuldigd. De kantonrechter ziet geen aanleiding deze te matigen en wijst dit deel van de vordering toe. Voor het overige wordt de de gevraagde opheffing van de loonstop niet toegewezen, omdat werkneemster daarbij geen belang meer heeft nu de loonbetaling inmiddels is hervat. Iedere partij draagt de eigen proceskosten.
