Naar boven ↑

Rechtspraak

VCMI Veldwerk N.V./werknemer
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (Locatie Arnhem), 11 mei 2026
ECLI:NL:GHARL:2026:2905
Werknemer die zichzelf gelden verstrekt als ‘tijdelijke leningen’ is ten onrechte op staande voet ontslagen, omdat werkgever hem na ontdekking nog liet factureren en een sollicitatiegesprek liet voeren. Wel ernstig verwijtbaar handelen, dus geen billijke vergoeding.

Feiten

Werknemer trad in augustus 2021 in dienst bij VCMI met een laatstverdiend salaris van € 9.635,16 bruto per maand exclusief vakantiebijslag. In de arbeidsovereenkomst gold voor beide partijen een opzegtermijn van twee maanden. VCMI maakt deel uit van een groep met onder meer VCMI Advies B.V. en VCMI Inspectie B.V. In de periode april tot en met november 2023 maakte werknemer meerdere bedragen over van bankrekeningen van Advies en Inspectie naar zijn eigen rekening en die van zijn partner, telkens met de omschrijving ‘Tijdelijke lening’. Na gedeeltelijke terugbetaling resteerde eind 2023 een bedrag van € 59.900. In juli en september 2024 maakte hij daarnaast nog € 5.000 en € 725 over van de rekening van Advies naar zijn privérekening. Op 24 januari 2025 wees de accountant van VCMI de directeur-eigenaar op de overboekingen uit 2024 en vroeg of deze waren geaccordeerd. Diezelfde dag nodigde de directeur-eigenaar werknemer uit voor een bespreking op maandag 27 januari 2025. In de tussentijd vroeg VCMI werknemer nog om werkzaamheden te verrichten, waaronder facturatie en voorbereidingen voor een bedrijfsuitje, en liet zij hem op maandagochtend nog een sollicitatiegesprek voeren. Tijdens het gesprek later die ochtend werd werknemer op staande voet ontslagen. In de ontslagbrief stelde VCMI dat hij zonder recht of titel bedragen had onttrokken, ondanks eerdere afspraken dat dit niet mocht. Werknemer verzoekt onder meer om toekenning van een billijke vergoeding, gefixeerde schadevergoeding wegens onregelmatige opzegging en transitievergoeding. Hij voert aan dat de overboekingen verband hielden met werkzaamheden voor VCMI, onder meer het opzetten van activiteiten in Duitsland, de verbouwing van een thuiskantoor en/of compensatie voor overuren. Ook stelde hij dat VCMI wist van de betalingen of daarmee had ingestemd. VCMI verweerde zich tegen de vergoedingen en stelde in hoger beroep dat het ontslag op staande voet wel rechtsgeldig was. Daarnaast vorderde VCMI terugbetaling van de overgeboekte bedragen en schadevergoeding voor diverse bestelde bedrijfseigendommen die volgens haar waren verdwenen of door werknemer waren behouden, waaronder telefoons, televisies, een bureaustoel, een bureau en zeven drones.

Oordeel

Het hof oordeelt dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is gegeven, omdat VCMI onvoldoende heeft laten blijken dat zij de reden voor ontslag ook subjectief als dringend ervoer. Hoewel het zonder toestemming overboeken van gelden naar de eigen rekening in beginsel een dringende reden kan opleveren, had VCMI na ontdekking op vrijdag 24 januari 2025 direct maatregelen moeten nemen, zoals het innemen van bankpassen of op non-actiefstelling. In plaats daarvan liet zij werknemer nog doorwerken en op maandag zelfs een sollicitatiegesprek voeren. Dat gedrag is niet te rijmen met de stelling dat voortzetting van de arbeidsovereenkomst geen moment langer van VCMI kon worden gevergd. Toch kent het hof geen billijke vergoeding toe. Het hof acht voldoende vaststaan dat werknemer ernstig verwijtbaar heeft gehandeld door € 59.900 en later nog € 5.725 zonder recht of titel naar zichzelf over te maken. Zijn verklaringen over de bestemming van de bedragen waren wisselend en onvoldoende onderbouwd. Ook stond vast dat hij wist dat verdere overboekingen niet waren toegestaan en dat VCMI in juli 2024 in een nijpende liquiditeitspositie verkeerde. Wel rekent het hof VCMI aan dat zij het zware middel van ontslag op staande voet heeft ingezet, terwijl zij ook ontbinding had kunnen vragen. Een ontbindingsverzoek zou naar verwachting echter tot beëindiging per 1 juni 2025 hebben geleid, zonder transitievergoeding. Omdat werknemer inmiddels ook aanspraak heeft op de gefixeerde schadevergoeding en transitievergoeding, resteert volgens het hof geen inkomensschade die een billijke vergoeding rechtvaardigt. VCMI wordt veroordeeld tot betaling van de gefixeerde schadevergoeding van € 23.214,04 bruto en de transitievergoeding van € 11.898,76 bruto. Werknemer moet aan VCMI de onterecht overgeboekte bedragen van in totaal € 65.625 terugbetalen, met rente. Daarnaast moet hij € 24.263,95 aan schadevergoeding betalen voor verdwenen of behouden bedrijfseigendommen, waaronder de iPhone, televisies, bureaustoel, bureau en drones. Ook moet hij enkele resterende bedrijfseigendommen afgeven, op straffe van een dwangsom.