Naar boven ↑

Rechtspraak

eiseres/Bedrijfstakpensioenfonds Mode=-, interieur-, tapijt- en textielindustrie
Rechtbank Limburg (Locatie Maastricht), 26 april 2023
ECLI:NL:RBLIM:2023:2797
Het bedrukken en borduren van bedrijfslogo’s op bedrijfskleding dient aangemerkt te worden als het bewerken van textiel in de zin van het verplichtstellingsbesluit bedrijfstakpensioenfonds Mode-, interieur-, tapijt- en textielindustrie; eiseres valt onder de werkingssfeer.

Feiten

Eiseres is een groothandel in schoonmaak- en hygiëneartikelen. Ook biedt eiseres klanten de mogelijkheid om bedrijfskleding van bedrijfslogo’s te voorzien. In het verplichtstellingsbesluit ten aanzien van deelneming in het Bedrijfstakpensioenfonds Mode-, interieur-, tapijt- en textielindustrie (hierma: MITT) staat onder meer dat de werkgever iedere ‘natuurlijke of rechtspersoon [is] die in zijn in Nederland gevestigde onderneming of afdeling(en) van zijn onderneming het Mode-, Interieur-, Tapijt- of Textielindustriebedrijf of het Linnenverhuur- en wasserijbedrijf of het Textielreinigingsbedrijf uitoefent'. MITT heeft eiseres in 2018 meegedeeld dat zij per 2012 onder de werkingssfeer van MITT valt. Eiseres heeft bezwaar gemaakt. MITT heeft haar besluit gehandhaafd. Eiseres vordert, onder meer, primair een verklaring voor recht dat zij niet onder het MITT valt en subsidiair, voor zover een dergelijke verklaring niet kan worden afgegeven, dat zij niet gehouden is om deel te nemen.

Oordeel

De kantonrechter oordeelt als volgt. Eiseres stelt dat zij een groothandel in onder meer schoonmaakartikelen exploiteert en geen bedrijf in de mode- of textielindustrie. Het door eiseres ingebrachte taalkundig advies van een hoogleraar verbonden aan de Stichting Instituut voor de Nederlandse taal kan niet als objectief aanknopingspunt worden gezien, nu hier niet de cao-norm is gehanteerd. De kantonrechter is van oordeel dat eiseres een onderneming uitoefent die onder de werkingssfeer valt. Het (doen) bedrukken en borduren van bedrijfslogo’s op bedrijfskleding is een activiteit die onder de definitie valt die het verplichtstellingsbesluit geeft van de mode- en interieurindustrie. Het bedrukken en borduren van bedrijfslogo’s op bedrijfskleding dient immers aangemerkt te worden als het bewerken van textiel in de zin van het verplichtstellingsbesluit. In het verplichtstellingsbesluit is niet de voorwaarde gesteld dat de bedrijfsactiviteiten een bepaalde omvang moeten hebben voordat er sprake is van verplichte deelneming. Voor de verplichtstelling van MITT geldt aldus geen hoofdzaakcriterium. In welke mate de activiteiten (in casu het borduren van een logo) worden verricht en bijdragen aan de omzet, doet er dus niet toe. Nu er geen hoofdzaakcriterium geldt, hoeft de aard van de activiteiten evenmin gewaardeerd te worden. Het vorenstaande brengt mee dat een werkgever onder de verplichtstelling valt zodra hij activiteiten verricht waarop de werkingssfeer betrekking heeft. De verplichtstelling is ook van toepassing indien de werkgever de activiteiten niet zelf verricht maar door derden (in zijn opdracht) laat verrichten. De stelling van eiseres dat het slechts zou gaan om werknemers die zich met de betreffende activiteiten bezighouden, kan geen stand houden. Van misbruik van bevoegdheid is geen sprake. Eiseres wordt in de proceskosten veroordeeld.