Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam (Locatie Amsterdam), 19 mei 2026
ECLI:NL:RBAMS:2026:5073
Feiten
Werknemer is op 1 januari 2023 bij Inspire in dienst getreden als maatschappelijk werker op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd. Na verlenging liep die overeenkomst tot en met 30 juni 2025. Op de arbeidsovereenkomst was de algemeen verbindend verklaarde Cao Sociaal Werk 2023-2025 van toepassing. Werknemer verdiende € 4.096 bruto per maand, exclusief onregelmatigheids- en vakantietoeslag. In het voorjaar van 2024 startte werknemer met een EVC-traject. Inspire betaalde de kosten daarvan, in totaal € 1.929,95. In een brief van 1 juli 2024 legde Inspire vast dat zij deze kosten betaalde, maar dat werknemer de studiekosten moest terugbetalen als hij voortijdig met de studie zou stoppen zonder diploma terwijl de arbeidsovereenkomst voortduurde, of als de arbeidsovereenkomst binnen een jaar na afronding op zijn initiatief of wegens een dringende reden zou eindigen. Werknemer ondertekende deze brief niet voor akkoord, maar maakte ook geen bezwaar en zette het traject voort. Op 5 november 2024 bleek dat niet alle domeinen van het EVC-traject voldoende waren beoordeeld. Werknemer kon het traject daardoor niet afronden en had een aanvullend EVC-traject nodig. In de eerste maanden van 2025 ontstond een arbeidsconflict, waarna werknemer zich op 12 maart 2025 ziek meldde. Tijdens zijn ziekte begon hij voor eigen rekening een tweede EVC-traject. De arbeidsovereenkomst eindigde op 30 juni 2025 van rechtswege. Bij de eindafrekening hield Inspire de eerder betaalde studiekosten in en betaalde zij geen openstaande vakantie-uren uit, maar verrekende zij min-uren. Werknemer vorderde onder meer € 7.500 schadevergoeding wegens strijd met goed werkgeverschap, € 1.320 bruto aan achterstallig loon tijdens ziekte wegens niet-doorbetaling van onregelmatigheidstoeslag, € 2.231,10 bruto voor 85 niet-genoten vakantie-uren en terugbetaling van € 1.929,95 aan ingehouden studiekosten. Inspire voerde daartegen verweer.
Oordeel
De kantonrechter wees de schadevergoeding wegens schending van goed werkgeverschap af. Inspire mocht zelf beslissen of zij de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd al dan niet verlengde. Van verwijtbaar handelen of discriminatie was niet gebleken. Ook het verwijt dat Inspire formulieren voor het tweede EVC-traject niet wilde ondertekenen, leidde niet tot aansprakelijkheid. Werknemer was dat traject tijdens ziekte op eigen initiatief begonnen en had daarover geen afspraken met Inspire gemaakt. Bovendien kon Inspire de competenties voor het nieuwe traject niet beoordelen op basis van actuele werkzaamheden, omdat werknemer ziek thuis zat.
De vordering tot achterstallig loon tijdens ziekte werd wel toegewezen. Uit de cao volgt dat een werknemer die structureel onregelmatig werkt bij ziekte recht heeft op doorbetaling van het gemiddelde loon, inclusief structurele looncomponenten. Omdat de onregelmatigheidstoeslag van werknemer maandelijks wisselde, moest het gemiddelde worden berekend over twaalf maanden voorafgaand aan de ziekmelding. Inspire had de berekening van werknemer niet inhoudelijk betwist. Daarom werd € 1.320 bruto toegewezen.
De vordering wegens niet-genoten vakantie-uren werd afgewezen. Inspire had toegelicht dat werknemer in eerdere jaren te veel vakantie had opgenomen, dat dit deels was teruggewerkt en dat het resterende negatieve saldo terecht met latere vakantie-uren was verrekend. Werknemer had die berekening onvoldoende inhoudelijk betwist, zodat de kantonrechter uitging van elf min-uren.
Ook de terugbetaling van de ingehouden studiekosten werd afgewezen. Werknemer had het EVC-traject niet succesvol afgerond en het aanbevolen aanvullende traject niet gevolgd. Daarmee was hij voortijdig gestopt zonder diploma, terwijl de arbeidsovereenkomst nog voortduurde. Inspire mocht de betaalde studiekosten daarom in rekening brengen. Dat werknemer de brief met het studiekostenbeding niet had ondertekend, maakte dit niet anders, omdat hij geen bezwaar had gemaakt en het traject na ontvangst van de brief had voortgezet. In totaal werd alleen € 1.320 bruto aan achterstallig loon toegewezen.
