Rechtspraak
Feiten
Werknemer is sinds 1 juli 2022 in dienst bij werkgeefster in de functie van IT- en facilitycoördinator. Zijn salaris bedraagt € 3.699,15 bruto per maand. Op 19 december 2025 heeft werkgeefster werknemer op staande voet ontslagen. Tussen partijen loopt daarnaast een andere verzoekschriftprocedure. In die procedure verzoekt werknemer onder meer om een verklaring voor recht dat het ontslag op staande voet ten onrechte is gegeven, dat het in de arbeidsovereenkomst opgenomen concurrentiebeding daardoor is vervallen, en om toekenning van diverse vergoedingen ten laste van werkgeefster. Beide zaken zijn mondeling behandeld op 30 april 2026. In de onderhavige procedure verzoekt werkgeefster om werknemer te veroordelen tot betaling van een vergoeding op grond van artikel 7:677 lid 2 BW. Volgens werkgeefster is het ontslag op staande voet rechtsgeldig gegeven en is werknemer daarom een vergoeding verschuldigd gelijk aan het loon over de termijn waarover de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging had behoren voort te duren. Werkgeefster begroot die vergoeding op € 5.541,18, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 19 december 2025, en verzoekt daarnaast om veroordeling van werknemer in de proceskosten. Werknemer verzet zich tegen toewijzing van het verzoek. Hij voert onder meer aan dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is gegeven en dat daarom geen grond bestaat voor de door werkgeefster gevorderde vergoeding.
Oordeel
De kantonrechter sluit aan bij de beschikking die op dezelfde datum is gewezen in de andere procedure tussen partijen. In die beschikking is geoordeeld dat het ontslag op staande voet ten onrechte is gegeven. Omdat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is, ontbreekt de grondslag voor de door werkgeefster verzochte vergoeding op grond van artikel 7:677 lid 2 BW. De kantonrechter wijst het verzoek van werkgeefster daarom af. Als de in het ongelijk gestelde partij wordt werkgeefster veroordeeld in de proceskosten. Vanwege de samenhang met de andere procedure kent de kantonrechter slechts de helft van het gemachtigdensalaris toe.
