Naar boven ↑

Rechtspraak

Vakbond van BENU Apothekers/BENU Apotheken B.V.
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Utrecht), 13 mei 2026
ECLI:NL:RBMNE:2026:2833
VVBA vakbond is niet-ontvankelijk, omdat zij geen rechtsgrond heeft om namens haar leden loonvorderingen tegenover BENU af te dwingen.

Feiten

VVBA is een vakbond die de belangen behartigt van de bij BENU werkzame apothekers in loondienst. Partijen hebben op 2023 afspraken gemaakt over hun gezamenlijke doelstelling om toe te werken naar een cao voor alle apothekers die bij BENU in dienst zijn. Daarbij zijn ook afspraken gemaakt over de (regels voor) loonindexatie die BENU moet toepassen totdat die cao is ingevoerd. VVBA wil dat de kantonrechter voor recht verklaart dat die afspraken tot gevolg hebben dat een deel van de BENU-apothekers in 2025 en 2026 recht hebben op een salarisverhoging van 8% en dat de kantonrechter BENU gebiedt om die salarisverhogingen uit te keren. BENU verzet zich daartegen, omdat VVBA volgens haar niet-ontvankelijk is in haar vorderingen. 

Oordeel

In het vonnis van 28 januari 2026 heeft de kantonrechter aan VVBA gevraagd waaraan zij haar procesbevoegdheid ontleent voor de vorderingen die zij heeft ingesteld. In reactie daarop heeft VVBA in haar akte van 4 februari 2026 aangegeven dat zij de rechtsgronden waarop zij haar vordering baseert, wil aanvullen. In tegenstelling tot wat zij eerder aangaf, baseert zij haar vordering nu primair op de Wet op de collectieve arbeidsovereenkomst (Wet cao) en secundair op artikel 3:305a van het Burgerlijk Wetboek (BW). Daarnaast houdt zij vast aan haar stelling dat zij anders een eigen vordering heeft op basis van de overeenkomst die zij met BENU heeft gesloten. Daarbij verwijst zij naar de redelijkheid en billijkheid. Volgens BENU kan VVBA geen beroep doen op de Wet cao en kunnen haar vorderingen daardoor niet worden toegewezen op basis van de afspraken tussen partijen. BENU heeft zich daarnaast tegen de eiswijziging verzet voor zover die ziet op het aanvullen van artikel 3:305a BW als grondslag. Hoewel de gevorderde verklaring van recht is gevorderd op grond van de afspraken tussen haarzelf en BENU, is duidelijk dat VVBA met haar vorderingen beoogt op te komen voor de individuele loonbelangen van haar leden. De kantonrechter oordeelt dat VVBA daarvoor geen procesbevoegdheid kan ontlenen aan de Wet cao. Collectieve afspraken over individuele loonbelangen kunnen worden vastgelegd in een cao, waarvan de cao-partijen nakoming kunnen vorderen. Uit de wet volgt dat een vereniging als VVBA alleen een cao kan sluiten voor haar leden als uitdrukkelijk in haar statuten is vermeld dat zij dat mag. BENU heeft erop gewezen dat dat bij VVBA niet het geval is. De afspraken tussen BENU en VVBA kunnen om die reden niet worden aangemerkt als cao. VVBA kan dus geen beroep doen op de Wet cao om op te komen voor de individuele loonbelangen van haar leden door nakoming van die afspraken te vorderen. Evenmin kan VVBA haar procesbevoegdheid in deze procedure ontlenen aan artikel 3:305a BW. Voor het instellen van een 3:305a-vordering gelden strenge ontvankelijkheidseisen. BENU merkt terecht op dat uit de dagvaarding al had moeten blijken dat daarmee een 3:305a-vordering werd ingesteld, waarbij VVBA had moeten toelichten waarom zij aan de ontvankelijkheidsvereisten daarvoor voldoet. Dat heeft VVBA in de dagvaarding niet gedaan. Met haar beroep op de redelijkheid en billijkheid vraagt VVBA de kantonrechter tot slot om het wettelijk systeem voor de totstandkoming en afdwingbaarheid van collectieve arbeidsvoorwaardenafspraken te doorbreken. Zo'n doorbreking van het wettelijk systeem zou alleen op zijn plaats zijn als het in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat VVBA zelf niet via de kantonrechter van BENU kan afdwingen dat zij loonsverhogingen doorvoert voor haar werknemers. Dat is niet het geval. Haar beroep op de redelijkheid en billijkheid slaagt daarom niet en de kantonrechter zal VVBA niet-ontvankelijk verklaren in haar vorderingen.