Naar boven ↑

Rechtspraak

werkneemster/werkgeefster
Rechtbank Den Haag (Locatie Den Haag), 21 april 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:10811
Werkneemster beroept zich op strijd met Wghb/cz vanwege diagnose ADHD bij niet verlengen van de arbeidsovereenkomst. Geen sprake van verboden onderscheid op grond van de Wgbh/cz.

Feiten

Werkneemster is werkzaam bij werkgeefster en is op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd in dienst getreden. Werkneemster volgt een opleiding tot declarant en heeft deze opleiding afgerond tijdens het dienstverband. Tussen partijen is een studiekostenregeling overeengekomen, waarin is bepaald dat werkgeefster de opleidingskosten voor haar rekening neemt, maar dat werkneemster onder bepaalde omstandigheden (zoals voortijdige beëindiging van het dienstverband of het niet behalen van het diploma) een deel van deze kosten moet terugbetalen. Werkneemster functioneert grotendeels naar behoren, maar werkt gedurende een langere periode veelal vanuit huis. Na een privé-incident en medische ontwikkelingen, waaronder de diagnose ADHD, werkt werkneemster (gedeeltelijk) thuis en op kantoor. Werkgeefster heeft kenbaar gemaakt dat het beleid gericht is op werken op kantoor. Werkgeefster deelt op 18 september 2025 mee de arbeidsovereenkomst niet te zullen verlengen per 1 december 2025, waarbij als reden wordt genoemd dat langdurig thuiswerken niet past binnen het bedrijfsbeleid. Werkneemster verzoekt onder meer een billijke vergoeding, vernietiging van het studiekostenbeding, betaling van studiekosten, de transitievergoeding, achterstallig vakantiegeld en correctie van loonstroken.

Werkneemster stelt dat er sprake is van indirect onderscheid op grond van handicap of chronische ziekte (ADHD) in de zin van de Wgbh/cz, omdat het niet verlengen van de arbeidsovereenkomst samenhangt met haar (noodzaak tot) thuiswerken. Werkgeefster zou onvoldoende onderzoek hebben gedaan naar doeltreffende aanpassingen en handelt daardoor ernstig verwijtbaar, zodat recht bestaat op een billijke vergoeding. Daarnaast stelt werkneemster dat het studiekostenbeding nietig is omdat de opleiding noodzakelijk is voor de functie en het beding niet voldoet aan de eisen van de rechtspraak. Verder is volgens werkneemster sprake van onjuiste loonadministratie en ten onrechte niet uitbetaald vakantiegeld. Werkgeefster betwist dat er sprake is van een handicap of chronische ziekte in de zin van de Wgbh/cz en stelt dat geen noodzaak tot thuiswerken is aangetoond. Het studiekostenbeding is volgens werkgeefster rechtsgeldig en de opleiding is niet noodzakelijk voor de functie. Het vakantiegeld is grotendeels correct uitbetaald en deels verrekend.

Oordeel

De kantonrechter oordeelt dat er geen sprake is van strijd met de Wgbh/cz. Werkneemster heeft onvoldoende onderbouwd dat ADHD haar belemmert om op voet van gelijkheid deel te nemen aan het arbeidsproces. Niet is gebleken dat thuiswerken noodzakelijk was vanwege medische beperkingen, noch dat dit tijdig aan werkgeefster kenbaar is gemaakt. Werkneemster werkte bovendien gedurende lange tijd grotendeels op kantoor zonder concrete beperkingen. De kantonrechter oordeelt dat werkgeefster geen verboden onderscheid heeft gemaakt bij het niet verlengen van de arbeidsovereenkomst. Van ernstig verwijtbaar handelen is daarom geen sprake, zodat er geen grond bestaat voor toekenning van een billijke vergoeding. Ten aanzien van het studiekostenbeding oordeelt de kantonrechter dat de opleiding niet noodzakelijk was voor de functie. Het beding is voldoende transparant en rechtsgeldig overeengekomen. Ook is er geen aanleiding om het beding buiten toepassing te laten op grond van redelijkheid en billijkheid. Het beroep op nietigheid wordt verworpen en terugbetaling wordt niet toegewezen.

Ten aanzien van vakantiegeld en transitievergoeding geldt dat deze deels al zijn betaald. Voor te late betaling wordt wettelijke rente en gedeeltelijke wettelijke verhoging toegewezen. Voor het overige wordt het verzoek afgewezen. Werkneemster heeft wel recht op correcte bruto/nettospecificaties, omdat vaststaat dat de loonstroken onjuist of onvolledig waren. Dit deel van het verzoek wordt toegewezen.