Naar boven ↑

Rechtspraak

Gerechtshof Amsterdam, 12 mei 2026
Scheidsrechter (professionele) tennistoernooien niet werkzaam op basis van arbeidsovereenkomst. Belangrijkste overeengekomen afspraak, namelijk dat het aan scheidsrechter zelf was zich wel, niet of niet meer beschikbaar te stellen, maakt dat sprake is van vrijwilligersovereenkomst.

Feiten

De heer X (hierna: de scheidsrechter) werd door de Koninklijke Nederlandse Lawn Tennis Bond (hierna: KNLTB) jarenlang ingezet als scheidsrechter bij (professionele) tenniswedstrijden. Daarnaast heeft hij ook op internationale toernooien werkzaamheden verricht, waarvoor hij door KNLTB werd voorgedragen. Sinds 2017 is hij ingezet op basis van een vrijwilligersovereenkomst. Op 4 december 2024 heeft KNLTB per brief de vrijwilligersovereenkomst beëindigd, nadat zij diverse gesprekken heeft gevoerd met de scheidsrechter alsmede hem heeft berispt vanwege zijn houding en wijze van communiceren. De scheidsrechter stelt zich op het standpunt dat tussen partijen sprake is (geweest) van een arbeidsovereenkomst. Hij heeft de kantonrechter verzocht de opzegging van de arbeidsovereenkomst te vernietigen. De kantonrechter heeft de verzoeken van de scheidsrechter afgewezen en geoordeeld dat er geen sprake is van een arbeidsovereenkomst (zie AR 2025-0865). De scheidsrechter heeft hoger beroep ingesteld.

Oordeel

Het hof oordeelt als volgt.

Rechtsvermoeden artikel 7:610a BW

De scheidsrechter doet een geslaagd beroep op artikel 7:610a BW. Er is voldaan aan het urencriterium van voornoemd artikel; dit blijkt uit de door de scheidsrechter in hoger beroep overgelegde nadere overzichten. Daarnaast heeft de scheidsrechter een beloning (een dagvergoeding) van de KNLTB ontvangen voor de door hem verrichte arbeid. De scheidsrechter komt met terugwerkende kracht een beroep toe op het rechtsvermoeden van artikel 7:610a BW. Zoals hierna blijkt, heeft dat rechtsvermoeden echter geen invloed op het eindoordeel van het hof.

Overeengekomen rechten en plichten

Ten aanzien van de overeengekomen rechten en plichten overweegt het hof dat voor de scheidsrechters die worden ingezet door de KNLTB het Reglement Arbitrage, de gedragscode en het Reglement Fair Play gelden. De scheidsrechter had geen verplichting een minimale beschikbaarheid op te geven en gaf tijdig zijn beschikbaarheid aan voor een hele wedstrijddag. Een eenmaal opgegeven beschikbaarheid kon hij wijzigen of intrekken. De scheidsrechter diende de werkzaamheden persoonlijk te verrichten. Wanneer de scheidsrechter werkzaamheden voor de KNLTB verrichtte, diende hij een declaratie in. Hij kon een reis- en onkostenvergoeding en een dagvergoeding (deze was niet afhankelijk van het aantal uren of wedstrijden van die dag) declareren.

Kwalificatie overeenkomst

In het licht van alle feiten en omstandigheden overweegt het hof dat de overeenkomst niet kwalificeert als een arbeidsovereenkomst. In de kern onderscheidt een vrijwilligersovereenkomst zich ten opzichte van een arbeidsovereenkomst in de omstandigheid dat de vrijwilliger niet verplicht kan worden tot het verrichten van de arbeid. Dat is ook hier het geval. Het hof acht van doorslaggevend belang dat op de scheidsrechter geen verplichting rustte zich beschikbaar te stellen. De KNLTB kon niet afdwingen dat de scheidsrechter op toernooien zou optreden, hetgeen niet past bij een arbeidsovereenkomst. Ook uit het afmeldbeleid blijkt een grote vrijheid voor de betrokken scheidsrechters. Het ontvangen van algemene instructies voor het uitvoeren van de werkzaamheden is in dit geval duidelijk gekoppeld aan het behoud van de kwaliteit van de arbitrage in het algemeen. Het hof acht verder van belang dat de scheidsrechter slechts een beperkte beloning van de KNLTB voor zijn werkzaamheden als scheidsrechter (op hoog niveau) ontving. De omstandigheid dat het werk van scheidsrechter is ingebed in de organisatie en dat vast is komen te staan dat op de scheidsrechter de verplichting rustte om de arbeid persoonlijk te verrichten, wegen niet op tegen de belangrijkste overeengekomen afspraak, namelijk dat het aan de scheidsrechter was om zich wel, niet of niet meer als scheidsrechter beschikbaar te stellen. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de KNLTB het aangenomen rechtsvermoeden van het bestaan van een arbeidsovereenkomst voldoende heeft weerlegd. De scheidsrechter heeft daartegenover onvoldoende gesteld om een arbeidsovereenkomst aan te nemen. Het hof oordeelt dat tussen partijen een vrijwilligersovereenkomst bestond. Bekrachtiging van de bestreden beschikking volgt.