Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/werkgevers
Rechtbank Den Haag (Locatie Den Haag), 29 april 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:9971
Het addendum is rechtsgeldig buitengerechtelijk vernietigd wegens misbruik van omstandigheden, nu werkgever een kwetsbare werknemer onjuist heeft geïnformeerd en hem heeft bewogen een nadelige, cao-strijdige wijziging te ondertekenen.

Feiten

Werknemer is op 20 april 2009 in dienst getreden bij werkgever in de functie van medewerker algemeen schoonmaakonderhoud II. Op 23 december 2024 hebben werknemer en werkgever een addendum op de arbeidsovereenkomst getekend. Werknemer heeft diezelfde dag een e-mail aan werkgever gestuurd waarin hij aangeeft dat hij het document mee naar huis wilde nemen en later wilde ondertekenen, maar dat werkgever aangaf dat hij zich geen zorgen hoefde te maken en dat alles hetzelfde zou blijven zoals het was waardoor hij gewoon zou kunnen tekenen. Werkgever gaf ook aan dat werknemer niet over zou worden genomen door de nieuwe eigenaar als hij niet zou tekenen. Hier schrok werknemer van en zodoende heeft hij getekend. Nu komt hij erachter dat in het addendum lijkt opgenomen dat zijn salaris wordt verlaagd, wat niet mag. Daarnaast zijn zijn uren aangepast naar minimaal 3 en maximaal 38 uur per week terwijl hij al jaren 40 uur per week werkt en daar ook voor wordt betaald. Per brief van 3 april 2025 heeft de gemachtigde van werknemer aan werkgever bericht dat werknemer zich beroept op vernietiging van het addendum vanwege misbruik van omstandigheden, althans op de nietigheid daarvan wegens strijdigheid met de toepasselijke cao. Werknemer vordert onder meer voor recht te verklaren dat werkgever hem op oneigenlijke gronden het addendum heeft laten tekenen.

Oordeel

Werknemer vordert een verklaring voor recht dat werkgever hem op oneigenlijke gronden het addendum heeft laten tekenen. De kantonrechter stelt vast dat de term ‘op oneigenlijke gronden’ in de wet niet voortkomt. De kantonrechter kan alleen al om die reden niet voor recht verklaren dat het addendum ‘op oneigenlijke gronden’ is ondertekend, omdat dit op zichzelf geen juridische betekenis heeft. Dat neemt niet weg dat de kantonrechter uit de overige stellingen van werknemer afleidt dat hij bedoeld heeft te stellen dat het addendum tot stand is gekomen onder misbruik van omstandigheden en daarom bij de brief van 3 april 2025 buitengerechtelijk is vernietigd. Omdat deze stelling ook relevant is voor de toewijsbaarheid van de door werknemer gevorderde verklaring voor recht dat zijn salaris moet worden verhoogd met de cao-verhogingen van 2025 en dat hij moet worden betaald op basis van een 40-urige werkwerk, alsook voor de vordering tot betaling van achterstallig salaris, zal de kantonrechter deze stelling – voor zover nodig onder ambtshalve aanvulling van de rechtsgronden in de zin van artikel 25 Rv – in het volgende beoordelen. De kantonrechter is van oordeel dat in dit geval sprake is van misbruik van omstandigheden door werkgever. Werknemer bevindt zich als werknemer in een ondergeschikte positie ten opzichte van werkgever. Werknemer is in dienst in de functie van medewerker schoonmaakonderhoud, zodat in beginsel niet mag worden verwacht dat hij over enige juridische deskundigheid beschikt. Hij heeft ook onweersproken gesteld dat hij last heeft van woordblindheid en moeite heeft met het begrijpen van ingewikkelde teksten. Werknemer heeft daarnaast voldoende onderbouwd dat hij vóór het tekenen van het addendum aan werkgever heeft gevraagd of hij dit eerst met zijn partner zou mogen bespreken. De kantonrechter is verder van oordeel dat werkgever, mede gelet op zijn verplichting zich als een goed werkgever te gedragen, werknemer had behoren te weerhouden van het tekenen van het addendum zonder de inhoud daarvan eerst met een (deskundige) derde te bespreken. Werkgever stelt dat dit niet nodig was omdat hij werknemer een uitgebreide uitleg heeft gegeven over het addendum en hij dus met de inhoud daarvan bekend was. De toelichting van werkgever op het addendum is echter juridisch onjuist en in strijd met de cao. Het kan er daarom niet voor gehouden worden dat werkgever werknemer voldoende heeft geïnformeerd over de wijzigingen in zijn arbeidsvoorwaarden die in het addendum zijn opgenomen. Uit het voorgaande volgt dat het in artikel 5.1 van het addendum opgenomen beding in strijd is met de cao. De strekking van dat beding is dat het reeds in december 2024 door werknemer genoten salaris (met terugwerkende kracht) geacht moet worden inclusief de cao-verhogingen van 2025 te zijn. Het gevolg hiervan is feitelijk dat werkgever de aanspraken van werknemer op de cao-verhogingen van 2025 volledig heeft willen uitsluiten, terwijl hij op grond van artikel 18 van de cao recht had op (in ieder geval) een verhoging van het deel van zijn salaris dat als basisuurloon geldt voor zijn loon- en functiegroep. Voor zover werknemer zich al niet op vernietiging van het (volledige) addendum had beroepen, is in ieder geval dit beding daarom nietig (artikel 12 lid 1 Wet Cao). Ook de stelling van werkgever dat het op grond van de cao nodig was om de arbeidsduur van werknemer terug te brengen tot 38 uur per week is juridisch onjuist. Artikel 13 lid 1 van de cao bepaalt dat de normale arbeidsduur gemiddeld 38 uur tot maximaal 48 uur per week over een periode van 4 weken bedraagt. Een arbeidsduur van 40 uur per week is dus wel degelijk toegestaan. Ook op dit punt heeft werkgever werknemer dus verkeerd geïnformeerd. De conclusie van de voorgaande overwegingen is dat werknemer in de brief van 3 april 2025 met succes het addendum buitengerechtelijk heeft vernietigd wegens misbruik van omstandigheden (art. 3:49 BW), omdat werkgever ondanks de bijzondere kwetsbaarheid van werknemer heeft bevorderd dat hij het voor hem nadelige addendum zou ondertekenen, terwijl werkgever (als goed werkgever) hem had moeten behoeden voor het ondertekenen daarvan zonder dit eerst met een (deskundige) derde te bespreken. Dat addendum moet daarom met terugwerkende kracht geacht worden niet tussen partijen te zijn overeengekomen (art. 3:53 BW).