Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant (Locatie Bergen op Zoom), 30 april 2026
ECLI:NL:RBZWB:2026:3561
Feiten
Werkneemster is op 6 mei 2025 in dienst getreden van Timing Bemiddelingsdiensten B.V. (hierna: ‘Timing’) op basis van een uitzendovereenkomst. Werkneemster is door Timing uitgeleend aan DHL Supply Chain (hierna: ‘DHL’). Op 27 juni heeft werkneemster de heer X, manager operations bij DHL, gemeld dat zij hem leuk vond en hem gevraagd wat hij van haar vond. Vervolgens heeft werkneemster een aantal gesprekken gehad met Timing en DHL. Aan werkneemster is gemeld dat zij geen contact meer mocht zoeken met X. Op 30 oktober 2025 is werkneemster op non-actief gesteld. Bij brief van 31 oktober 2025 heeft Timing werkneemster op staande voet ontslagen. Timing heeft de dringende reden gegrond op de omstandigheden dat zij werkneemster in een gesprek op 20 oktober 2025 had verboden contact te zoeken met X, maar dat werkneemster hem diezelfde dag opnieuw berichten stuurde, zelfs na waarschuwingen per e-mail en per telefoon om daarmee te stoppen.
Oordeel
De kantonrechter oordeelt als volgt. Werkneemster stelt dat er aanvankelijk sprake was van wederkerigheid, in die zin dat X ook het persoonlijke contact opzocht en avances maakte. De stellingen van werkneemster en hetgeen X verklaart, lopen uiteen. Dat X het persoonlijke contact heeft opgezocht of avances heeft gemaakt zoals werkneemster stelt, is niet komen vast te staan. Wel is komen vast te staan dat X in berichten aan werkneemster gebruikmaakte van emoji’s en hartjes. De kantonrechter oordeelt dat het sturen van hartjes door een manager aan een ondergeschikte niet gepast is in een werkomgeving. Hoewel het niet gepast is, blijkt uit het versturen van hartjes op zichzelf genomen nog niet van het maken van avances. Dat moet in de context worden gezien. Daarvoor zijn bijkomende omstandigheden relevant. Bijkomende omstandigheden die maken dat de hartjes in de berichten moeten worden gezien in het licht van avances, zijn echter niet gebleken. Werkneemster voert tevens aan dat in gesprekken met DHL op 1 juli en 8 september 2025 is gemeld dat zij geen persoonlijk contact met X mocht zoeken, maar dat X daarna niet meer ter sprake is gekomen. Ook heeft werkneemster – onweersproken – aangevoerd dat zij na 5 oktober 2025 geen (persoonlijk) contact heeft gezocht met X tot na de op non-actiefstelling op 30 oktober 2025. Invoelbaar is dat werkneemster werd verrast door de op non-actiefstelling op 30 oktober 2025 en dat zij meteen hierna uit emotie weer het contact heeft gezocht met X om uitleg te krijgen. Daarmee handelde werkneemster weliswaar verkeerd, temeer gelet op de laatste waarschuwing per telefoon en per e-mail, maar deze misstap uit emotie is naar het oordeel van de kantonrechter onvoldoende zwaarwegend om die aan te merken als een dringende reden voor een ontslag op staande voet. Een minder ingrijpende maatregel, zoals een schorsing, was op zijn plaats geweest. Zeker nu Timing ter zitting heeft bevestigd geen enkel onderzoek te hebben verricht naar de ontstane situatie in het contact tussen werkneemster en X en de (mogelijke) rol van de laatste daarin. Dit had gezien het feit dat Timing op de hoogte was van psychische problemen bij werkneemster en daarbij kennis had van het versturen van hartjes door X wel in de rede gelegen. Omdat een dringende reden voor het ontslag op staande voet ontbreekt, is het ontslag niet rechtsgeldig gegeven.
