Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 20 maart 2026
ECLI:NL:RBROT:2026:4605
Feiten
Deze zaak wordt behandeld door de regelrechter op basis van het Tijdelijk besluit experiment regelrechter (hierna: Besluit). Werknemer is op 1 januari 2025 in dienst getreden bij Vicini B.V. als souschef. Op 31 augustus 2025 is de arbeidsovereenkomst tussen partijen geëindigd. Deze procedure gaat over de vraag of Vicini het salaris van augustus 2025 moet betalen. Werknemer stelt zich op het standpunt dat hij zich op 29 juli 2025 ziek heeft gemeld, waarna de bedrijfsarts heeft geconstateerd dat er sprake is van een arbeidsconflict en partijen een afkoelingsperiode heeft aanbevolen. Volgens werknemer heeft hij zich na afloop van deze afkoelingsperiode weer beschikbaar gehouden voor werk. Vicini heeft zijn salaris over de maand augustus 2025 tot op heden niet uitbetaald. Werknemer vordert daarom in deze procedure dat Vicini wordt veroordeeld om zijn salaris van augustus 2025, ter hoogte van € 3.450 bruto, aan hem te betalen, met wettelijke verhoging en wettelijke rente. Vicini is het niet eens met de vordering. Volgens Vicini heeft werknemer zich onterecht ziek gemeld en hoeft zij het salaris over de maand augustus 2025 niet aan hem uit te betalen, omdat hij in deze maand ook niet heeft gewerkt.
Oordeel
De kantonrechter wijst de eisen van werknemer toe. Dat sprake is van situatieve arbeidsongeschiktheid wordt onderschreven door de constateringen van de bedrijfsarts op 6 augustus 2025, waaruit blijkt dat er sprake is van een arbeidsconflict en dat de klachten van werknemer niet voortkomen uit een ziekte of gebrek. Daarnaast heeft hij tijdens de zitting verklaard dat hij op de werkvloer regelmatig werd geconfronteerd met onwenselijk gedrag, zoals pesten en intimidatie. Volgens werknemer is de mentale belasting hierdoor te groot geworden, waarna hij zich ziek heeft gemeld. Deze stellingen heeft Vicini niet meer betwist. Volgens artikel 7:628 BW is de werkgever verplicht het loon te voldoen indien de werknemer de overeengekomen arbeid geheel of gedeeltelijk niet heeft verricht, tenzij het geheel of gedeeltelijk niet verrichten van de overeengekomen arbeid in redelijkheid voor rekening van de werknemer behoort te komen. Voor het slagen van een loonvordering is vereist dat de werknemer bereid is de bedongen arbeid te verrichten. Het is aan de werkgever om te stellen en zo nodig te bewijzen dat sprake is van een uitzondering op de hiervoor genoemde hoofdregel. Vicini heeft dat naar het oordeel van de rechter onvoldoende gedaan. Ook moet Vicini naast de wettelijke rente 50% wettelijke verhoging betalen. De proceskosten komen voor rekening van Vicini, omdat zij ongelijk krijgt (artikel 15 Besluit).
