Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 31 maart 2026
ECLI:NL:RBROT:2026:4628
Feiten
Werkneemster is per 1 april 2024 in dienst getreden bij werkgeefster in de functie van advocaat-stagiaire. Op 9 april 2025 heeft werkneemster zich ziek gemeld. Op 24 april 2025 heeft de bedrijfsarts geoordeeld dat werkneemster met ingang van 11 april 2025 ongeschikt was voor het verrichten van haar werkzaamheden. Op 17 september 2025 heeft werkneemster zich hersteld gemeld. Zij voert aan ziek te zijn geworden als gevolg van racisme, buitensluiting en pesten op de werkvloer. De door haar verzochte steun werd haar niet gegeven. Vervolgens zou werkgeefster snel hebben ingezet op beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Volgens werkgeefster was sprake van disfunctioneren. Werkgeefster heeft ingezet op mediation, maar werkneemster bleef dat weigeren, zodat van 1 augustus 2025 tot 17 september 2025 een loonstop is opgelegd. In mei 2025 heeft werkgeefster bij de raad van de orde melding gemaakt van een geschil, en in juli 2025 is om toestemming gevraagd het patronaat te beëindigen, die is verleend. Werkgeefster heeft werkneemster op 8 oktober 2025 geïnformeerd dat haar advocaatstage per 9 oktober 2025 werd beëindigd en dat daarmee ook haar arbeidsovereenkomst eindigde. Werkneemster stelt dat werkgeefster haar arbeidsovereenkomst niet (tussentijds) mocht beëindigen. Volgens haar is er geen sprake van een arbeidsovereenkomst die van rechtswege eindigt zodra de beëindiging van het patronaat is goedgekeurd door de raad van de orde en op basis daarvan de advocaatstage wordt beëindigd. Werkneemster berust in het eindigen van de arbeidsovereenkomst per 9 oktober 2025, maar verzoekt onder meer een aanzegvergoeding, een gefixeerde schadevergoeding en een billijke vergoeding van € 230.000. Ook verzoekt werkneemster een aanvullende schadevergoeding in verband met letselschade, het niet kunnen afsluiten van een arbeidsongeschiktheidsverzekering, de kosten voor therapie en coaching en de kosten voor het als onderneemster moeten afmaken van de advocaatstage in plaats van in loondienst.
Oordeel
De kantonrechter oordeelt als volgt. De arbeidsovereenkomst is van rechtswege op 9 oktober 2025 geëindigd. Vaststaat dat het patronaat en daarmee de stage rechtsgeldig zijn geëindigd door opzegging door de patroon, na verkregen goedkeuring van de raad van de orde. In de arbeidsovereenkomst is bepaald dat het dienstverband eindigt op de dag dat de stage eindigt. Het besluit van de raad volgt op een verzoek van werkgeefster, maar enkel dat feit is onvoldoende voor de gevolgtrekking dat het einde van de arbeidsovereenkomst niet objectief kan worden vastgesteld. Tussen partijen staat niet ter discussie dat de raad van toezicht een inhoudelijk objectieve toets heeft verricht. Het tijdstip waarop de arbeidsovereenkomst zou eindigen was daarmee voldoende objectief bepaalbaar. Omdat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is geëindigd, bestaat er geen recht op de gefixeerde schadevergoeding. Ook is er geen aanzegvergoeding verschuldigd. Werkgeefster mocht een loonstop opleggen omdat werkneemster niet wilde meewerken aan mediation, dit mocht worden beschouwd als redelijk re-integratievoorschrift. Werkneemster is van tevoren gewaarschuwd en heeft meermaals mediation, ondanks adviezen van de bedrijfsarts, afgehouden en/of afgezegd. De kantonrechter is van oordeel dat het onvoldoende is komen vast te staan dat er sprake is geweest van pestgedrag, racisme en/of buitensluiten op de werkvloer, dit blijkt niet uit de overgelegde producties. Uit de overgelegde stukken volgt juist een patroon waarbij werkneemster, wanneer zij het juridisch-inhoudelijk niet eens is met een collega, de ander verwijten maakt. Dat de standpunten van werkneemster door kantoorgenoten ter discussie werden gesteld, kan niet worden gekwalificeerd als grensoverschrijdend gedrag door kantoorgenoten. Bovendien heeft werkneemster verschillende initiatieven van werkgeefster om de klachten verder te onderzoeken door bijvoorbeeld een gesprek aan te gaan aan de hand van een gespreksleider, afgehouden. Werkneemster stond niet open voor andere inhoudelijke meningen dan de hare. Werkgeefster mocht werkneemster hiervoor waarschuwen. De vordering ten aanzien van verlofuren wordt afgewezen. Het niet betaalde deel ziet op opbouw over de periode dat de loonstop was opgelegd. Aangezien is geoordeeld dat de loonstop mocht worden opgelegd, heeft werkneemster geen recht op de betreffende vakantie-uren. De verzochte schadevergoedingen worden afgewezen, werkgeefster heeft niet onrechtmatig gehandeld. Bovendien heeft werkneemster onvoldoende gesteld over het causaal verband tussen het handelen van werkgeefster en de gestelde schade. Werkneemster wordt in de proceskosten veroordeeld.
