Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Utrecht), 24 april 2026
ECLI:NL:RBMNE:2026:2181
Feiten
Werknemer is in dienst van werkgeefster en dient een verzoek in bij de kantonrechter van de rechtbank Midden-Nederland. Werkgeefster stelt dat de kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant bevoegd is.
Oordeel
De kantonrechter oordeelt als volgt. Het verzoek van werknemer heeft betrekking op het einde van een (individuele) arbeidsovereenkomst zoals bedoeld in titel 10 afdeling 9 van Boek 7 BW. Op grond van artikel 7:686a lid 9 BW worden zulke verzoeken – in afwijking van wat is bepaald in artikel 262 Rv – gedaan aan de kantonrechter die volgens de artikelen 99, 100 en 107 tot en met 109 Rv bevoegd is. Gelet op artikel 99 en artikel 100 Rv is de rechter van de woonplaats van de gedaagde bevoegd, dan wel de rechter van de plaats waar de arbeid gewoonlijk wordt of laatstelijk werd verricht. Gebleken is dat werknemer zijn werkzaamheden verrichtte in Vught. Aangezien Vught binnen het arrondissement van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch valt, is de kantonrechter van die rechtbank bevoegd. De kantonrechter te Utrecht verklaart zich onbevoegd om van de zaak kennis te nemen en verwijst de zaak in de stand waarin deze zich bevindt naar de kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch.
