Rechtspraak
Gerechtshof Den Haag (Locatie Den Haag), 3 februari 2026
ECLI:NL:GHDHA:2026:150
Feiten
Werknemer, geboren in 1970, was sinds 24 februari 2003 in dienst bij de Staat der Nederlanden, laatstelijk als relatiebeheerder IT. Werknemer was werkzaam bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland. De Staat heeft bij ontslagbesluit van 13 december 2017 de ambtelijke aanstelling van werknemer per 1 januari 2018 beëindigd wegens disfunctioneren. Werknemer heeft bezwaar, beroep en hoger beroep aangetekend. Tijdens de procedure bij de CRvB in 2021 is naar voren gekomen dat het gedrag en disfunctioneren van werknemer mogelijk werden veroorzaakt door (een vermoeden van) autisme (hierna: ASS). De CRvB heeft de Staat opgedragen een nieuw ontslagbesluit te nemen. In 2021 werd werknemer aangemeld bij expertisebureau WPEX, wat leidde tot de conclusie dat zijn disfunctioneren een medische oorzaak had. In maart 2022 werd het dienstverband hersteld. De Staat heeft vervolgens gedurende drie jaar pogingen ondernomen om werknemer te plaatsen in een passende functie waarbij rekening wordt gehouden met diens beperkingen. De inspanningen van de Staat hebben niet tot een succesvolle herplaatsing geleid. In 2024 heeft werknemer meldingen gemaakt van onrechtmatigheden in het kader van de AVG. De melding is aangemerkt als een misstand als bedoeld in de Wet bescherming klokkenluiders (Wbk). De arbeidsovereenkomst is in eerste aanleg op verzoek van de Staat ontbonden vanwege een verstoorde arbeidsverhouding, onder toekenning van de transitievergoeding van € 58.051,98 bruto. In hoger beroep verzoekt werknemer primair herstel van de arbeidsovereenkomst.
Oordeel
Het hof oordeelt als volgt. In oktober 2023 is een intensief en kostbaar herplaatsingstraject bij Transferium aangevangen. Het traject is stroef gaan verlopen toen er issues ontstonden rond de door werknemer gewenste wisseling van loopbaanadviseur en de uitgangspunten voor de begeleiding. Transferium heeft het traject niettemin zo goed mogelijk willen voortzetten. Transferium heeft op enig moment een conceptevaluatie opgesteld en aan werknemer toegezonden voor bespreking. Werknemer weigerde echter op het geplande gesprek met zijn trajectmanager en loopbaanadviseur te komen en wilde daar ook niet schriftelijk op reageren. Ook weigerde hij zijn medewerking aan het eindgesprek met de trajectmanager en casemanager op 4 juni 2024. Hierna achtte Transferium geen vertrouwensbasis meer aanwezig om nog verder constructief met werknemer in gesprek te gaan en is het begeleidingstraject beëindigd. Door de weigering van werknemer om mee te werken aan de eindevaluatie van het traject – in strijd met gemaakte afspraken – had de Staat nog altijd, sinds hij zich daar vanaf juli 2021 actief voor was gaan inspannen, geen zicht op de mogelijkheden van herplaatsing en de geschiktheid van werknemer voor het verrichten van andere werkzaamheden. De conclusie moet dan ook zijn dat de Staat zich gedurende lange tijd (ruim drie jaar) heeft ingespannen voor de herplaatsing van werknemer, zonder resultaat. Door het weigeren van werknemer van zijn verdere medewerking aan het herplaatsingstraject is het vertrouwen in het herstel van een vruchtbare samenwerking komen te ontvallen en is de conclusie gerechtvaardigd dat er sprake is van een onherstelbaar verstoorde arbeidsverhouding, waar ook mediation geen uitkomst meer kan bieden. Omdat herplaatsing niet meer tot de mogelijkheden behoort, bestrijkt de verstoring de hele Staat. De verhouding is niet verstoord geraakt door de ASS. Van een indirect onderscheid in de zin van de WGBH/CZ is dan ook geen sprake. Van een causaal verband tussen de integriteitsmeldingen en het ontbindingsverzoek is niet gebleken. Het hof komt ten slotte tot het oordeel dat van ernstig verwijtbaar handelen van de Staat geen sprake is. De Staat heeft voortvarend gehandeld en het niet slagen van het herplaatsingstraject kan niet aan de Staat worden verweten. Het hoger beroep slaagt niet; de bestreden beschikking wordt bekrachtigd.
