Rechtspraak
Feiten
Werknemer is op 12 april 1999 in dienst getreden bij het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (hierna: UWV). Op de arbeidsovereenkomst van werknemer is de cao UWV van toepassing. In deze cao is bepaald dat werknemer gedurende het eerste ziektejaar recht heeft op doorbetaling van 100% van zijn loon en gedurende het tweede ziektejaar op 70%. Werknemer is van 26 mei 2015 tot 21 mei 2016 en van 9 januari 2019 tot 12 juni 2019 (deels) arbeidsongeschikt geweest. Op 24 maart 2020 heeft werknemer zich opnieuw ziekgemeld met stress- en vermoeidheidsklachten. Uit de verslagen van de bedrijfsarts volgt dat deze klachten zijn veroorzaakt door overbelasting van werknemer, zowel op werk als in de privésfeer. Ook is opgenomen dat in de persoon gelegen factoren een essentiële rol spelen bij deze overbelasting en dat gezocht moet worden naar een re-integratieplek bij het Werkbedrijf. Op 16 maart 2021 is werknemer een coachingtraject gestart. Verder heeft het UWV op 1 juni 2021 getracht werknemer over te plaatsen in een andere divisie, maar dit is niet gelukt. Op 10 juni 2021 heeft de bedrijfsarts geoordeeld dat er geen sprake is van arbeidsongeschiktheid op grond van ziekte. Als reactie hierop heeft het UWV werknemer bericht dat hij weer zijn volledige loon ontvangt. Omdat werknemer het niet eens was met het oordeel van de bedrijfsarts, heeft hij een deskundigenoordeel aangevraagd. In dit deskundigenoordeel is geoordeeld dat werknemer zijn eigen werk niet kon doen. Eind november heeft het UWV daarom het loon van werknemer met terugwerkende kracht verlaagd van 100% naar 70% en hem bericht dat het een vordering op hem heeft van € 5.207,94 bruto aan te veel betaald loon. Het UWV heeft dit bedrag vervolgens verrekend met het loon. Bij besluit van 23 februari 2022 is bepaald dat het UWV voldoende aan zijn re-integratieverplichtingen heeft gedaan en is aan werknemer een WIA-uitkering toegekend. Werknemer is tegen dit eerste oordeel in bezwaar en daarna beroep gegaan. Uiteindelijk heeft de rechtbank Overijssel het beroep van werknemer gegrond verklaard. In onderhavige procedure vordert werknemer onder meer om het UWV te veroordelen tot betaling van € 5.207,94 aan achterstallig loon, vermeerderd met de wettelijke verhoging en wettelijke rente, in verband met het ten onrechte terugvorderen van dit bedrag én tot betaling van diverse posten aan schadevergoeding wegens het onvoldoende nakomen van de re-integratieverplichtingen door het UWV.
Oordeel
De kantonrechter oordeelt als volgt.
Loonvordering
Tussen partijen is niet in geschil dat werknemer vanwege zijn tweede ziektejaar op grond van de tussen partijen geldende cao recht had op 70% van zijn loon en na betermelding weer 100%. Op grond hiervan was het UWV gehouden om, nadat de bedrijfsarts had geoordeeld dat werknemer weer volledig arbeidsgeschikt was, aan hem 100% van zijn loon te betalen. Na het deskundigenoordeel waaruit volgde dat werknemer op 10 juni 2021 nog ziek was, had het UWV het recht om over 10 juni tot en met 10 oktober 2021 met terugwerkende kracht te veel betaald loon van werknemer terug te vorderen. Dat neemt niet weg dat er gronden waren voor het UWV om daar niet toe over te gaan. Werknemer hoefde er in redelijkheid geen rekening mee te houden dat als uit het deskundigenoordeel zou volgen dat hij toch arbeidsongeschikt was, het UWV met terugwerkende kracht 70% van zijn loon zou betalen. Het UWV heeft werknemer immers vrijgesteld van werk met behoud van loon in afwachting van de uitslag van het deskundigenoordeel. Niet gebleken is dat het UWV werknemer erop heeft gewezen dat de mogelijkheid bestaat dat hij mogelijk 30% van zijn loon zal moeten terugbetalen. Eventueel hadden hier ook afspraken over kunnen worden gemaakt. Dat had wel mogen worden verwacht van het UWV. Daar komt bij dat een verlaging van het loon in het tweede ziektejaar van 100% naar 70% een bevoegdheid is van het UWV, maar het hem altijd vrij staat om meer dan 70% van het loon te betalen. In dit licht is het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar dat het te veel betaalde loon is teruggevorderd. Dit betekent dat de vordering van werknemer om het UWV te veroordelen tot betaling van € 5.207,94 bruto aan achterstallig loon zal worden toegewezen. De wettelijke verhoging matigt de kantonrechter tot een maximum van 25%.
Onvoldoende re-integratie-inspanningen door UWV
In de kern komen de stellingen van werknemer erop neer dat het UWV bij zijn re-integratie nalatig is geweest, wat een negatief effect heeft gehad op de duur en de ernst van de klachten van werknemer. De rechtbank Overijssel heeft kort gezegd geoordeeld dat het plan van aanpak van 7 januari 2022 veel te laat is opgesteld, dat het advies van de bedrijfsarts was om een stage onder begeleiding van een coach te organiseren, maar dat niet gebleken is dat daarna concrete activiteiten gericht op re-integratie zijn verricht en dat pas op 21 maart 2022 een coach is ingeschakeld. De kantonrechter deelt dit oordeel. De vervolgvraag is of werknemer daardoor ook schade heeft geleden. Het UWV had een inspanningsverplichting. Er bestaat geen garantie dat een re-integratietraject succesvol zal verlopen. De omstandigheid dat het UWV enige tijd nalatig is geweest in het nakomen van zijn re-integratieverplichtingen maakt op zich zelf niet reeds dat werknemer daardoor schade heeft geleden. Het is aan werknemer om te stellen en zo nodig te bewijzen dat hij als gevolg van die nalatigheid schade heeft geleden. Dit heeft werknemer onvoldoende gedaan. De conclusie is daarom dat de vorderingen van werknemer strekkende tot betaling van schadevergoeding door het UWV zullen worden afgewezen.
