Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 6 maart 2026
ECLI:NL:RBROT:2026:3429
Feiten
Werknemer is in dienst geweest van werkgeefster. Werknemer vordert achterstallig salaris. Hij is het niet eens met de salariskorting van 5% die werkgeefster per 1 januari 2018 heeft toegepast en verwijst in dat kader naar de afspraak die partijen hebben gemaakt dat hij op de dinsdagmiddagen na 14:30 uur was vrijgesteld van zijn werkzaamheden en dat hij op de woensdagen pas om 9:00 uur hoefde te beginnen. Volgens werkgeefster was de salariskorting terecht, omdat de afspraak slechts tijdelijk was en niet meer gold. Werkgeefster vindt daarom dat zij niets aan werknemer hoeft te betalen. Aan werkgeefster is opgedragen te bewijzen dat de afspraak over de werktijden van werknemer tijdelijk was en slechts gold voor de periode dat de kinderen van werknemer op de basisschool zaten. Werkgeefster heeft vier schriftelijke verklaringen overgelegd en drie getuigen doen horen.
Oordeel
Naar het oordeel van de kantonrechter is werkgeefster geslaagd in het leveren van het bewijs. De verklaringen zijn grotendeels eenduidig en voldoende specifiek, namelijk dat de reden voor de aangepaste werktijden gelegen was in de jonge leeftijd van de kinderen van werknemer en dat zij van school gehaald en naar school gebracht moesten worden. Vast staat daarom dat de afspraak over de werktijden van werknemer tijdelijk was en slechts gold voor de periode dat de kinderen van werknemer op de basisschool zaten. In 2018 zaten zijn kinderen al enige tijd niet meer op de basisschool. Daarmee was de voorwaarde voor de tijdelijke regeling komen te vervallen. Uit het feit dat werknemer op de dinsdagmiddagen niet weer op kantoor is gaan werken, moet naar het oordeel van de kantonrechter worden afgeleid dat hij geacht moet worden ermee te hebben ingestemd dat werkgeefster de arbeidsduur vervolgens heeft aangepast. Daaruit volgt dat werkgeefster het loon van werknemer mocht verlagen. Afwijzing van de vordering van werknemer volgt.
