Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Utrecht), 15 april 2026
ECLI:NL:RBMNE:2026:1896
Feiten
Werkneemster is op 17 mei 2021 in dienst getreden bij Daen’s Winebar B.V. Werkneemster heeft op 20 september 2023 haar dienstverband opgezegd per 1 november 2023. Op 5 oktober 2023 stuurt werkneemster vervolgens een overzicht van haar openstaande vakantie-uren en overuren. Volgens werkneemster resteert nog een saldo van ongeveer vier fulltime maanden. X is na het einde van het dienstverband van werkneemster niet meer teruggekomen op het verzoek van werkneemster om uitbetaling van opgebouwde vakantie-uren en overuren.
Oordeel
De kantonrechter oordeelt als volgt. Een werkgever is verplicht om na einde dienstverband binnen een maand een eindafrekening op te maken en uit te betalen. Daen’s Winebar heeft in november 2023 weliswaar een loonstrook opgemaakt, waarop te zien is dat de vakantietoeslag op dat moment € 1.187,85 bedroeg, maar vervolgens niets uitbetaald. Daen's Winebar heeft tijdens de mondelinge behandeling erkend dat zij de vakantietoeslag moet betalen en dat zij dit nog niet heeft gedaan. De kantonrechter wijst de vordering van werkneemster tot betaling van de vakantietoeslag toe. Werkneemster vordert daarnaast betaling van 459,07 vakantie-uren. Ter onderbouwing verwijst werkneemster naar een Excelbestand waarin zij haar gewerkte uren en vakantie-uren heeft bijgehouden. Daen’s Winebar betwist het saldo aan vakantie-uren. Volgens Daen's Winebar nam werkneemster ieder jaar al haar vakantie-uren op. Daen's Winebar heeft echter geen administratie overgelegd waaruit deze stelling blijkt, noch enige andere onderbouwing. Dat komt voor haar rekening en risico. Daen's Winebar is namelijk op grond van de wet en de Horeca Cao verplicht tot een deugdelijke registratie van de arbeids- en rusttijden. Ook op grond van artikel 7:641 lid 2 BW is Daen's Winebar verplicht om een administratie bij te houden van de door de werknemer genoten vakantie. Dit betekent dat Daen’s Winebar wordt veroordeeld om 459,07 vakantie-uren te betalen. Werkneemster vordert verder betaling van 310,4 overuren. De Horeca Cao bepaalt dat overwerk, dat op verzoek van de werkgever is verricht, moet worden gecompenseerd als ‘tijd voor tijd’. Als ‘tijd voor tijd’ binnen drie maanden na vaststelling van het overwerk niet mogelijk is, moet de werkgever de overuren binnen drie maanden uitbetalen. De kantonrechter wijst deze vordering van werkneemster af. De kantonrechter begrijpt uit de betwisting van Daen’s Winebar dat zij een beroep doet op de klachtplicht zoals bedoeld in artikel 6:89 BW. Werkneemster hield maandelijks de gewerkte uren bij, ook van haarzelf. Die uren gaf zij vervolgens door aan de accountant. De accountant maakte dan loonstroken die aan Daen's Winebar werden verstrekt om het loon uit te betalen. Voor werkneemster werd iedere maand een loonstrook opgemaakt uitgaande van een vaste urenomvang van 38 uur per week. Werkneemster ontving dus iedere maand hetzelfde salaris. Het is niet gebleken dat Daen's Winebar op de hoogte was van het daadwerkelijk aantal doorgegeven uren van werkneemster. Zij gaf die immers door aan de accountant, maar niet (ook) aan X. Volgens X was er geen contact met de accountant over de gewerkte uren van werkneemster. Werkneemster wist kennelijk wel dat zij recht had op compensatie van overuren, want zij heeft bijvoorbeeld haar vakantie als ‘tijd voor tijd’ opgenomen. Daen's Winebar heeft dus deels wel gepresteerd, door (al dan niet onbewust) ‘tijd voor tijd’ toe te staan. Daardoor heeft werkneemster bijvoorbeeld nog al haar vakantiedagen tegoed. Daen's Winebar heeft vervolgens niet de overuren die niet in tijd konden worden gecompenseerd, uitbetaald, maar werkneemster heeft daar ook nooit om verzocht. Werkneemster heeft pas bij einde dienstverband verzocht om betaling van alle overuren, als een soort spaarpot om uit te keren. Naar het oordeel van de kantonrechter is dat in strijd met de klachtplicht.
