Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam (Locatie Amsterdam), 27 maart 2026
ECLI:NL:RBAMS:2026:3743
Feiten
In augustus 2023 is tussen Connexxion Openbaar Vervoer N.V. (hierna: Connexxion) en werknemer een opleidingsovereenkomst tot stand gekomen voor een basisopleiding buschauffeur. In de opleidingsovereenkomst spreekt Connexxion de intentie uit om met werknemer, als hij de opleiding met goed gevolg heeft afgerond en zijn inzet en gedrag tijdens de opleidingsperiode als goed is beoordeeld, een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd aan te gaan. Na afronding van de opleiding heeft werknemer een arbeidsovereenkomst getekend voor bepaalde tijd als chauffeur. Op 9 februari 2024 heeft werknemer een gesprek gehad met zijn teammanager en een HR-adviseur over het feit dat hij niet meer in het bezit zou zijn van een geldig autorijbewijs. Bij brief van 9 februari 2024 heeft Connexxion daarom de arbeidsovereenkomst van rechtswege beëindigd met ingang van 12 februari 2024. Daarbij is hem aangezegd dat hij de opleidingskosten van € 4.565,00 dient terug te betalen. Connexxion vordert veroordeling van werknemer tot betaling van de studiekosten, de buitengerechtelijke incassokosten, wettelijke rente en de proceskosten. Werknemer voert verweer en voert – kort samengevat – aan dat de opleidingsovereenkomst een verkapte arbeidsovereenkomst is. Op grond van artikel 7:611a lid 2 BW en artikel 50 van de cao moet Connexxion opleidingen kosteloos verstrekken aan haar werknemers en is het studiekostenbeding op grond van artikel 7:611a lid 4 BW nietig.
Oordeel
De kantonrechter oordeelt als volgt. Op vragen van de kantonrechter heeft werknemer geantwoord dat hij gedurende de opleidingsovereenkomst geen personen heeft vervoerd, maar alleen in het kader van de opleiding op de bus heeft gereden. Werknemer heeft derhalve geen werkzaamheden uitgevoerd die behoren bij de functie van buschauffeur en waarop Conexxion haar organisatie heeft gebaseerd, te weten het vervoeren van personen. Werknemer heeft derhalve geen werkzaamheden verricht ten behoeve van Connexxion, ook niet later in de opleiding, onder supervisie van de opleider. De opleiding betrof dan ook een periode waarin hij enkel zijn startkwalificatie als buschauffeur heeft behaald. Zonder die kwalificatie was hij niet bevoegd om op de bus te rijden. Nu werknemer geen arbeid heeft verricht, is er geen sprake van een arbeidsovereenkomst. De door werknemer aangehaalde vergelijking van de rijopleiding voor buschauffeur met de beroepsopleiding van een advocaat in opleiding gaat dan ook niet op. De beroepsopleiding advocatuur wordt door de Hoge Raad beschouwd als een opleiding tijdens het werk. Een advocaat-stagiair dient bij de start van de beroepsopleiding reeds te beschikken over een afgeronde WO-opleiding rechten (de startkwalificatie). Zonder deze opleiding kan iemand niet in dienst treden als advocaat-stagiair. De opleiding tot buschauffeur is, net zoals de WO-opleiding rechten, een opleiding voor het werk (startkwalificatie), waarbij geldt dat tijdens de opleiding, zoals hiervoor overwogen, geen arbeid wordt verricht. De conclusie is dan ook dat de opleidingsovereenkomst niet kwalificeert als een arbeidsovereenkomst. Het beroep van werknemer op het bepaalde in artikel 7:611a lid 2 en lid 4 BW en het bepaalde in artikel 50 van de cao gaan dan ook niet op. Deze voorschriften gelden immers alleen wanneer sprake is van een arbeidsovereenkomst, die ten tijde van de opleiding niet bestond. Het studiekostenbeding waarnaar in de opleidingsovereenkomst wordt verwezen, is dan ook niet nietig. Dat Connexxion later werkgever is geworden van werknemer, maakt het voorgaande niet anders. De wettelijke rente wordt toegewezen. De vordering tot betaling van de buitengerechtelijke kosten is – zij het gematigd – toewijsbaar. Werknemer wordt in de proceskosten veroordeeld.
