Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/werkgeefster
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 3 maart 2026
ECLI:NL:RBROT:2026:3500
Terechte loonstop na weigering arbeidsongeschikte werknemer om met werkgever in gesprek te gaan. Uit stukken bedrijfsarts kan niet worden afgeleid dat werknemer medisch gezien niet in staat was naar kantoor te komen voor gesprek.

Feiten

Werknemer is sinds 15 januari 2021 in dienst bij werkgeefster als medewerker schoonmaakonderhoud. Werknemer zegt dat hij op 28 augustus 2025 is uitgegleden op de werkvloer en dat hij bij dit ongeval met zijn hoofd tegen een container is aangekomen en zijn enkel heeft gekneusd. Werknemer heeft nog enkele dagen gewerkt, maar kreeg steeds meer last van hoofdpijn en heeft zich ziekgemeld. Werkgeefster heeft werknemer uitgenodigd voor een gesprek op 3 februari 2026 op het kantoor in Alphen aan den Rijn. Werknemer heeft aangegeven dat een gesprek medisch niet verantwoord is vanwege aanhoudende misselijkheid, braken en migraine. Werkgeefster heeft daarop geantwoord dat als werknemer niet zou komen er een loonstop zou worden ingevoerd, dat er contact was geweest met de bedrijfsarts en dat volgens de bedrijfsarts een gesprek prima kon. Werknemer is niet verschenen. Werkgeefster heeft per 3 februari 2026 de loonbetaling stopgezet, omdat werknemer volgens werkgeefster, door niet met haar in gesprek te gaan, de re-integratie belemmerde. Tussen partijen is in geschil of deze loonstop terecht is toegepast.

Oordeel

De kantonrechter oordeelt als volgt. De vraag die moet worden beantwoord is of de oproep voor een gesprek op het kantoor in Alphen aan den Rijn kan worden beschouwd als een redelijk voorschrift, waaraan werknemer gevolg had moeten geven. Naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter kon werkgeefster in redelijkheid verlangen dat het gesprek op de locatie in Alphen aan den Rijn zou plaatsvinden. Werkgeefster heeft tijdens de zitting toegelicht dat zij het gesprek wilde voeren in een ruimte waar dat ongestoord zou kunnen. De locatie in Rotterdam, waar werknemer normaal werkt, beschikt volgens werkgeefster niet over zo’n ruimte en de locatie in Alphen aan den Rijn wel. Werknemer heeft dit niet betwist. Werknemer heeft aangegeven dat hij om medische redenen niet in staat is naar de locatie in Alphen aan den Rijn te reizen. Uit de (in deze procedure) overgelegde stukken van de bedrijfsarts kan dit niet worden afgeleid. In de terugkoppeling van de bedrijfsarts is opgenomen dat werknemer in verband met zijn welbevinden en vervoersproblemen het gesprek graag bij hem thuis of ergens halverwege wilde inplannen en de bedrijfsarts heeft daarbij aangegeven dat werknemer met werkgeefster zou kunnen bespreken wat hierin haalbaar was. Daaruit kan echter niet worden afgeleid dat de bedrijfsarts de locatie Alphen aan den Rijn zou hebben uitgesloten, zoals werknemer stelt. Voorts oordeelt de kantonrechter dat werkgeefster werknemer er uitdrukkelijk op heeft gewezen dat een loonstop zou worden toegepast als hij niet op het gesprek zou verschijnen. Om die reden en omdat de oproep voor een gesprek op locatie Alphen aan den Rijn een redelijk voorschrift was, had werkgeefster het recht om de loonstop per 3 februari 2026 toe te passen. Er is niets gesteld of gebleken op grond waarvan zou moeten worden geoordeeld dat de loonstop disproportioneel zou zijn. Afwijzing van de vorderingen van werknemer volgt.