Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/D-Pers B.V.
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 5 maart 2026
ECLI:NL:RBROT:2026:3996
Afwijzing loonvordering oproepkracht. Driemaandenperiode van artikel 7:610b BW in dit geval representatief, ondanks vakantie werknemer in die periode. Onvoldoende duidelijke vordering, nu nog openstaand bedrag nadat werkgever deels heeft betaald niet concreet is genoemd.

Feiten

Werknemer werkt sinds 11 augustus 2025 bij D-Pers B.V. als vulploegmedewerker op basis van een oproepovereenkomst voor bepaalde tijd, tegen een uurloon van € 18,68 bruto. In de arbeidsovereenkomst is een arbeidsomvang van 2 tot 12 uur per week opgenomen. Op 1 december 2025 is werknemer arbeidsongeschikt geraakt als gevolg van een arbeidsongeval. Volgens werknemer heeft D-Pers hem te weinig loon uitbetaald tijdens ziekte, omdat D-Pers geen rekening heeft gehouden met de vermoedelijke arbeidsomvang van 127,58 uur per periode. Werknemer vordert in kort geding € 1.975,41 bruto aan achterstallig loon. Daarnaast vordert hij salaris van € 2.383,19 bruto per periode tot het moment waarop de arbeidsovereenkomst op rechtsgeldige wijze zal zijn beëindigd. D-Pers is niet verschenen; tegen haar is verstek verleend.

Oordeel

De kantonrechter oordeelt als volgt. Het is voorshands onvoldoende aannemelijk dat de vordering tot betaling van de door werknemer genoemde bedragen in een gewone procedure zal worden toegewezen. Gelet op het uitgangspunt van artikel 7:610b BW moet voor het berekenen van de omvang van de arbeidsovereenkomst van werknemer gekeken worden naar de periode van drie maanden voorafgaand aan 1 december 2025, dus de maanden september, oktober en november 2025. De loonstroken van werknemer betreffen geen kalendermaanden, maar perioden van vier weken. In de vierwekenperioden voorafgaand aan zijn arbeidsongeschiktheid heeft werknemer respectievelijk 128,25 uur (periode 10), 66,75 uur (periode 11) en 129 uur (periode 12) gewerkt. Het gemiddelde daarvan bedraagt 108 uur per vierwekenperiode. Werknemer stelt zich op het standpunt dat periode 11 buiten beschouwing moet worden gelaten, omdat hij toen twee weken op vakantie is gegaan en die periode daardoor niet representatief is. Dit standpunt kan echter niet worden gevolgd. Vakantie vormt, mede gelet op hetgeen daarover in de arbeidsovereenkomst is overeengekomen, een normale en voorzienbare onderbreking van de werkzaamheden en rechtvaardigt geen uitsluiting van een periode uit de berekening. Verder heeft werknemer tijdens de zitting aangegeven dat partijen een regeling hebben getroffen en dat D-Pers een deel van deze regeling is nagekomen, terwijl een ander deel nog openstaat. Werknemer heeft echter niet aangegeven hoeveel er is betaald en welk deel mogelijk nog openstaat. Hierdoor bestaat onduidelijkheid over de exacte omvang van de (eventuele) resterende vordering. Aldus ligt er een onvoldoende duidelijke en concrete vordering om toewijzing van de bedragen gebaseerd op een arbeidsomvang van 127,58 uur per vierwekenperiode in kort geding te rechtvaardigen. Afwijzing van de vorderingen volgt.