Rechtspraak
Feiten
Werknemer was sinds 1 december 2002 in dienst bij Newes. Op 15 december 2025 hebben partijen een vaststellingsovereenkomst gesloten, waarbij is afgesproken dat het dienstverband met wederzijds goedvinden op 1 juli 2026 zou eindigen. In dat kader heeft Newes € 19.630 netto betaald. Nadat werknemer was gestopt met zijn werkzaamheden, is in zijn e-mailbox een e-mail van zijn partner aangetroffen met de tekst “Helemaal goed jij kleine vervalser van me!”, met als bijlage een brief op briefpapier van Newes met een verlofoverzicht. Deze brief was Newes niet bekend en was ondertekend door een werknemer die op dat moment arbeidsongeschikt was. Op basis daarvan ontstond het vermoeden dat werknemer deze brief zelf had opgesteld. Na een gesprek op 14 januari 2026 is werknemer op staande voet ontslagen. Werknemer is het niet eens met het ontslag en vordert betaling van loon tot 1 juli 2026 conform de vaststellingsovereenkomst, betaling van de winstuitkering over 2025 en afgifte van correcte loonstroken. Newes stelt dat het ontslag op staande voet terecht is en dat werknemer daarom geen recht meer heeft op loon na 14 januari 2026 en dat de winstuitkering is verrekend.
Oordeel
De kantonrechter oordeelt dat hij bevoegd is en dat Nederlands recht van toepassing is. In de parallelle verzoekschriftprocedure is geoordeeld dat het ontslag op staande voet terecht is gegeven, dat de arbeidsovereenkomst is geëindigd op 14 januari 2026, dat de vaststellingsovereenkomst in stand blijft en dat werknemer een gefixeerde schadevergoeding moet betalen. Hoewel de vaststellingsovereenkomst in stand blijft, oordeelt de kantonrechter dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat werknemer na 14 januari 2026 nog aanspraak maakt op loon. Nu het aan werknemer zelf te wijten is dat de arbeidsovereenkomst eerder is geëindigd en het recht op loon gekoppeld is aan de einddatum van de arbeidsovereenkomst, kan werknemer hierop geen beroep doen. De loonvordering wordt daarom afgewezen. De vordering tot betaling van de winstuitkering over 2025 wordt toegewezen, omdat deze ziet op een periode waarin de arbeidsovereenkomst nog bestond en verrekening is uitgesloten. De vordering tot afgifte van loonstroken wordt afgewezen, omdat werknemer deze al heeft en niet is gebleken dat deze onjuist zijn. De vordering tot verstrekking van een specificatie van de beëindigingsvergoeding wordt toegewezen, zonder dwangsom. De proceskosten worden gecompenseerd.
