Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam (Locatie Amsterdam), 10 april 2026
ECLI:NL:RBAMS:2026:3631
Feiten
Werknemer is per 2 december 1999 in dienst getreden bij Tata, en heeft afwisselend in India en in de Verenigde Staten gewerkt. Per september 2014 is werknemer ter beschikking gesteld aan Tata Consultancy Services Netherlands B.V. (hierna: TCS) om daar werkzaamheden te verrichten. Vanaf het moment dat werknemer is gedetacheerd is zijn loon betaald door TCS Nederland. De ‘deputation agreement’ op basis waarvan werknemer in Nederland werkzaam is, is meermaals verlengd. Tata heeft zich, toen de overeenkomst niet meer werd verlengd, op het standpunt gesteld dat werknemer terug diende te keren naar India. Dit heeft werknemer geweigerd. Aan werknemer is de toegang tot de systemen ontzegd en hem is geen salaris meer betaald. Werkneemr vordert onder meer loon en een verklaring voor recht dat er sprake is van een arbeidsovereenkomst tussen hem en TCS. Hij stelt daartoe dat hij de afgelopen elf jaar onafgebroken aan TCS Nederland ter beschikking is gesteld om daar onder leiding en toezicht van TCS Nederland werkzaamheden te verrichten. Bovendien is de deputation agreement, die steeds werd verlengd, per 11 oktober 2023 geëindigd en niet meer verlengd, zodat in ieder geval daarna tussen partijen een arbeidsovereenkomst tot stand is gekomen tussen hem en TCS Nederland.
Oordeel
De kantonrechter oordeelt als volgt. De deputation agreement die tussen partijen gold, is in 2023 geëindigd. Een contractuele regeling over (stilzwijgende) verlenging van deze overeenkomst is er niet. Integendeel, in de deputation agreement is expliciet bepaald dat de daarin opgenomen afspraken gelden tot 11 oktober 2023. Er is ook niet gesteld of gebleken dat er een wettelijke regeling is die voorziet in stilzwijgende voortzetting van een overeenkomst als deze. Ondanks het einde van de deputation agreement heeft werknemer vanaf 2023 voor TCS Nederland gewerkt, terwijl hij daarvoor van TCS Nederland een beloning heeft ontvangen. Daarmee geldt voor de verhouding tussen werknemer en TCS Nederland het rechtsvermoeden van het bestaan van een arbeidsovereenkomst. TCS Nederland heeft dit vermoeden niet kunnen ontkrachten. Zij heeft aangevoerd dat er geen gezagsverhouding is tussen haar en werknemer, omdat werknemer zijn werkzaamheden enkel voor klanten van TCS Nederland verrichtte. Dat doet echter niet af aan het feit dat deze werkzaamheden werden verricht namens en onder verantwoordelijkheid van TCS Nederland. Allereerst betekent het dat werknemer moet worden toegelaten tot het werk en dat zijn loon moet worden betaald. Op de wedertewerkstelling zal een gematigde dwangsom worden gesteld. Partijen hebben geen afspraken over het loon gemaakt, de tot 25 september 2025 betaalde vergoeding was duidelijk afgestemd op een expatregeling en week daarmee af van wat een Nederlandse werknemer betaald kreeg. In het kader van deze arbeidsovereenkomst is dus geen loon vastgesteld. In dat geval heeft werknemer op grond van artikel 7:618 BW aanspraak op het loon dat ten tijde van het sluiten van de arbeidsovereenkomst voor dergelijke arbeid gebruikelijk was. Naar het oordeel van de kantonrechter is onvoldoende weersproken dat het gevorderde nettoloon een gebruikelijk loon oplevert, zodat dit zal worden toegewezen. De wettelijke verhoging zal worden gematigd tot 10%, nu gezien de eerdere rechtsverhouding voorstelbaar is dat TCS Limited en TCS Nederland een ander standpunt hebben ingenomen over de juridische kwalificatie van de huidige rechtsverhouding(en) tussen partijen. De tegenvordering van TCS wordt toegewezen, maar wordt wel gematigd. Werknemer hoefde er op basis van de gang van zaken niet op bedacht te zijn dat hij een deel van de betalingen terug zou moeten betalen. Het gaat ook om een substantieel bedrag, waardoor voorstelbaar is dat werknemer in financiële problemen raakt als hij het volledige bedrag zoals gevorderd in één keer moet terugbetalen. TCS wordt in de proceskosten veroordeeld.
