Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Utrecht), 26 maart 2026
ECLI:NL:RBMNE:2026:1354
Feiten
Werkneemster werkt sinds 1 oktober 2022 bij werkgeefster, een uitzendbureau dat zich richt op het vinden van werk voor werkzoekenden. Werkneemster is op 23 oktober 2025 op staande voet ontslagen. Zij is het met dit ontslag op staande voet niet eens en zij verzoekt in deze procedure een verklaring voor recht dat het ontslag op staande voet onterecht is gegeven en zij maakt aanspraak op verschillende vergoedingen.
Oordeel
Uit de ontslagbrief van 23 oktober 2025 blijkt dat de dringende reden gelegen is in het niet nakomen van de verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst, waardoor het vertrouwen dat noodzakelijk is voor voortzetting van het dienstverband is komen te vervallen. Werkgeefster legt verschillende verwijten ten grondslag aan deze dringende reden, die er in de kern op neerkomen dat werkneemster betrokkenheid heeft gehad bij (voorbereidende) werkzaamheden en/of bij de bedrijfsvoering van B, een onderneming waarvan werkneemster weet dat deze onrechtmatig concurreert met werkgeefster. De kantonrechter overweegt dat de aan werkneemster verweten gedragingen onder de gegeven omstandigheden een dringende reden opleveren voor een ontslag op staande voet. In de arbeidsovereenkomst staat een nevenwerkzaamhedenbeding. B is werkneemster partner en was tot 1 mei 2025 in dienst van werkgeefster. In maart 2025 hebben werkgeefster en B afspraken gemaakt over de beëindiging van het dienstverband per 1 mei 2025 en de voorwaarden waaronder B daarna zijn werkzaamheden mocht voortzetten. Een van de afspraken was dat B tot 1 mei 2026 geen zakelijke contacten mocht hebben met klanten/relaties van werkgeefster en ook niet met medewerkers en uitzendkrachten van werkgeefster. Rond het moment van vertrek van B ontvangt werkgeefster concrete signalen dat B in de laatste periode van zijn dienstverband bij werkgeefster concurrerende activiteiten ontplooit, waarbij hij de bewuste afspraken uit de vaststellingsovereenkomst zou schenden. Werkgeefster is het gesprek aangegaan met B en ook met werkneemster. Werkneemster heeft in dat gesprek aangegeven niet betrokken te zijn bij B’s onderneming en te willen blijven werken voor werkgeefster. Op 9 mei 2025 heeft werkneemster zich ziek gemeld. Uit meerdere stukken volgt dat werkneemster vervolgens activiteiten heeft verricht voor c.q. betrokken is geweest bij de onderneming van B. Werkneemster heeft zich daarmee schuldig gemaakt aan gedragingen die een zo wezenlijke inbreuk maken op de belangen van werkgeefster en op het door werkgeefster in werkneemster gestelde en van haar te verlangen vertrouwen, dat voortzetting van de arbeidsovereenkomst redelijkerwijs niet van werkgeefster kon worden gevergd. Werkgeefster heeft ook voldoende voortvarend gehandeld. Het ontslag op staande voet is terecht gegeven. Werkneemster komt geen transitievergoeding en billijke vergoeding toe. De tegenverzoeken tot terugbetaling van een betaald voorschot en betaling van de contractuele boete vanwege schending van de geheimhoudingsverplichting worden toegewezen.
