Naar boven ↑

Rechtspraak

werkneemster/werkgever
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Almere), 23 maart 2026
ECLI:NL:RBMNE:2026:1321
Werkneemster is tijdens bezorgen van bestellingen met bedrijfsauto van de weg geraakt en de sloot in gereden. Werkgever heeft zorgplicht geschonden; auto vertoonde gebreken. Werkneemster heeft recht op materiële en immateriële schadevergoeding.

Feiten

Werkneemster is sinds 19 september 2025 in dienst bij werkgever als allrounder op basis van een oproepovereenkomst voor bepaalde tijd, tot en met 18 april 2026. Op 2 november 2025 is werkneemster tijdens het bezorgen van bestellingen met de bedrijfsauto van de weg geraakt en in de sloot terechtgekomen. Op 3 november 2025 krijgt werkneemster van werkgever in de groepsapp een bericht dat hij de vestiging (tijdelijk) moet sluiten vanwege economische omstandigheden. Op 17 november 2025 meldt werkneemster zich per 2 november 2025 ziek, omdat zij lichamelijk en psychisch niet in staat is om te werken. Het gaat in deze zaak om de vraag of de arbeidsovereenkomst op 3 november 2025 rechtsgeldig door werkgever is beëindigd en, als dat niet het geval is, of werkgever loon aan werkneemster verschuldigd is. Verder verzoekt werkneemster toekenning van een vergoeding voor materiële en immateriële schade.

Oordeel

De kantonrechter oordeelt als volgt.

Geen rechtsgeldige opzegging

Vaststaat dat werkneemster niet met de opzegging heeft ingestemd, dat het UWV geen toestemming heeft verleend en dat de opzegging niet heeft plaatsgevonden in een proeftijd. Van een ontslag op staande voet is geen sprake. Nu evenmin sprake is van een van de in artikel 7:671 lid 1 sub d t/m h BW genoemde uitzonderingsgevallen, betekent dit dat de opzegging van de arbeidsovereenkomst, zoals werkgever per whatsapp op 3 november 2025 heeft gedaan, niet rechtsgeldig is. De opzegging van de arbeidsovereenkomst wordt vernietigd.

Geen recht op loon vanaf 3 november 2025

Tussen partijen is sprake van een oproepovereenkomst als bedoeld in artikel 7:628a lid 9 BW. Werkneemster beroept zich op het rechtsvermoeden van artikel 7:610b BW. Zij heeft evenwel slechts zes weken gewerkt voor werkgever waardoor aan het rechtsvermoeden van artikel 7:610b BW geen werking toekomt. Daar komt bij dat er in de arbeidsovereenkomst een bepaling is opgenomen inhoudende dat gedurende de eerste zes maanden van de arbeidsovereenkomst geen verplichting tot loonbetaling bestaat als er niet wordt gewerkt. Een dergelijke bepaling kan ingevolge artikel 7:628 lid 5 BW worden overeengekomen. Op 3 november 2025 was de overeengekomen periode van zes maanden waarin geen loon verschuldigd is als er niet wordt gewerkt, nog niet verstreken. Er bestaat daarom, gelet op het voorgaande, vanaf 3 november 2025 geen loondoorbetalingsverplichting voor werkgever. Dat werkneemster ziek is (geworden) in de periode dat zij niet meer is opgeroepen, maakt in dit geval evenmin dat zij recht heeft op loon.

Schadevergoeding

De kantonrechter overweegt dat werkgever onvoldoende heeft onderbouwd dat hij zijn (beperkte) zorgplicht is nagekomen. De auto waar werkneemster in reed, was een privéauto van de zwager van werkgever. Werkgever heeft niet onderbouwd dat de auto in goede staat verkeerde, bijvoorbeeld door aan te geven wanneer er voor het laatst onderhoud aan de auto was verricht. Werkneemster daarentegen stelt dat de auto gebreken vertoonde; de auto kon niet in de vijfde versnelling worden gezet, de koplampen vielen uit en de auto was volgens werkneemster aan het trekken. Na het ongeval heeft werkgever geen technisch onderzoek aan de auto verricht waarmee hij had kunnen aantonen dat de auto wel in orde was. De conclusie is dan ook dat ervan moet worden uitgegaan dat werkgever in zijn zorgplicht is tekortgeschoten. Werkneemster maakt terecht aanspraak op een materiële schadevergoeding van € 407 netto; haar airpods, tas en powerbank zijn bij het ongeval verloren gegaan. Ook heeft werkneemster recht op € 500 netto aan immateriële schadevergoeding; werkneemster heeft als gevolg van het ongeval meerdere fysiobehandelingen moeten ondergaan.