Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Almere), 17 maart 2026
ECLI:NL:RBMNE:2026:1230
Feiten
Werknemer is op 1 januari 2023 in dienst getreden bij Legalitas B.V. Op 30 juni 2025 vraagt Legalitas het UWV om toestemming om de arbeidsovereenkomst te beëindigen op grond van bedrijfseconomische dan wel bedrijfsorganisatorische redenen. Bij brief van 7 juli 2025 wordt werknemer op de hoogte gesteld van verval van zijn functie met toezending van een vaststellingsovereenkomst. Op diezelfde dag meldt werknemer zich ziek. De bedrijfsarts constateert dat er sprake is van een conflict dat werknemer belemmert in het participeren in het arbeidsproces en dat er geen medische gronden voor arbeidsongeschiktheid zijn. Op advies van de bedrijfsarts wordt schakelt Legalitas een mediator in. Bij deze mediation wil werknemer zich laten bijstaan door een advocaat die ook werkzaam was bij Legalitas. Legalitas heeft hiertegen haar bezwaar geuit, omdat met deze advocaat eveneens vrij recent een arbeidsconflict is ontstaan. Volgens Legalitas zou de onafhankelijkheid van deze advocaat in dit geschil in het gedrang komen. De deken oordeelt uiteindelijk dat zij geen signalen ziet die bevestigen dat deze advocaat onvoldoende professionele distantie in acht neemt. De mediator beëindigt uiteindelijk het mediationtraject. Op 3 en 5 oktober 2025 deelt Legaltas aan werknemer in persoon mee dat het loon per 1 oktober 2025 is gestopt, omdat werknemer niet bereid is medewerking te verlenen aan mediation en hij niet verschenen is op een gesprek. Het UWV heeft op 5 december 2025 toestemming verleend de arbeidsovereenkomst te beëindigen. Met inachtneming van de opzegtermijn heeft Legalitas de arbeidsovereenkomst opgezegd tegen 1 februari 2026. In onderhavige procedure vordert werknemer veroordeling van Legalitas om aan hem zijn reguliere salaris vanaf 1 oktober 2025 te voldoen, vermeerderd met de wettelijke verhoging en wettelijke rente. Hij stelt zich daarbij op het standpunt dat Legalitas ten onrechte een loonstop heeft opgelegd.
Oordeel
De kantonrechter oordeelt als volgt. Kern van het geschil is of Legalitas gehouden is het loon van werknemer vanaf 1 oktober 2025 op grond van artikel 7:628 BW door te betalen. De wet bepaalt dat de werkgever verplicht is het naar tijdruimte vastgestelde loon te voldoen als de werknemer de overeengekomen arbeid geheel of gedeeltelijk niet heeft verricht, tenzij het geheel of gedeeltelijk niet verrichten van de overeengekomen arbeid in redelijkheid voor rekening van de werknemer behoort te komen. In het Mak/SGBO-arrest heeft de Hoge Raad geoordeeld dat voor een succesvol beroep op loonaanspraak (onder meer) vereist is dat in beginsel alle medewerking wordt verleend aan inspanningen die erop gericht zijn de oorzaken daarvan weg te nemen. Het standpunt van Legalitas dat werknemer geweigerd heeft zijn werk of ander werk te hervatten en geen medewerking heeft verleend aan het door Legalitas ingezette mediationtraject gaat naar het oordeel van de kantonrechter niet op. Werknemer heeft herhaaldelijk aangegeven mee te willen werken aan het mediationtraject. Daartoe heeft zijn advocaat de geheimhoudingsverklaring getekend. Legalitas heeft ten onrechte de bijstand van deze advocaat bij het mediationtraject geblokkeerd en zich tevens niet bereid getoond de lopende procedure bij het UWV tijdelijk op te schorten, waarop de mediator het mediationtraject heeft beëindigd. Dat animositeit tussen de advocaat en Legalitas is ontstaan vanwege een eerder arbeidsconflict tussen de advocaat, als voormalig werknemer van Legalitas, en Legalitas. Dat behartiging van de belangen van werknemer door deze advocaat bij Legalitas weerstand oproept, is begrijpelijk. Dat geeft Legalitas echter nog niet het recht de advocaat in onderhavige zaak volledig te negeren. Het is immers werknemer die ervoor gekozen heeft zich te laten bijstaan door de advocaat in het arbeidsconflict en dat staat hem vrij. De kantonrechter is het met de deken van de orde van advocaten eens. Legalitas heeft ten onrechte het conflict met de advocaat onderdeel laten uitmaken van deze procedure en is dat blijven doen. Van Legalitas had een professionelere houding verwacht mogen worden. Dat het mediationtraject uiteindelijk niet van de grond is gekomen komt voor rekening en risico van Legalitas. Dat werknemer niet is overgegaan tot hervatting van zijn werkzaamheden is hem eveneens niet aan te rekenen, omdat enerzijds vast is komen te staan dat werknemer de bedongen arbeid vooralsnog niet kon verrichten vanwege het arbeidsconflict en anderzijds Legalitas ook onduidelijkheid heeft laten bestaan welke werkzaamheden werknemer dan zou moeten verrichten. Legalitas heeft zich immers op het standpunt gesteld dat de functie van werknemer was komen te vervallen (procedure bij het UWV) en vervolgens niet aangegeven welke werkzaamheden werknemer wel zou kunnen uitvoeren. Dat betekent dat de hoofdregel van artikel 7:628 BW van toepassing is, zodat Legalitas verplicht is het loon door te betalen. Legalitas heeft ten onrechte een loonstop opgelegd. De kantonrechter veroordeelt Legalitas om aan werknemer het (achterstallig) loon te betalen over de periode van 1 oktober 2025 tot 1 februari 2026, vermeerderd met de (gematigde) wettelijke verhoging van 25% en de wettelijke rente.
