Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/werkgeefster
Rechtbank Amsterdam (Locatie Amsterdam), 18 maart 2026
ECLI:NL:RBAMS:2026:2717
Proeftijdontslag niet rechtsgeldig. Werknemer heeft al voor werkgever gewerkt voor een vergelijkbare beloning maar zonder schriftelijke vastlegging. Onduidelijkheid over vaardigheden en verantwoordelijkheden komt voor rekening werkgeefster.

Feiten

Werknemer is per 1 september 2025 in dienst getreden bij werkgeefster in de functie van senior pedagogisch medewerker voor de duur van zeven maanden. In de arbeidsovereenkomst is een proeftijd van twee maanden overeengekomen. De arbeidsovereenkomst kan tussentijds worden opgezegd met inachtneming van een opzegtermijn van twee maanden. Op de arbeidsovereenkomst is de cao Kinderdagverblijf van toepassing. Op 16 oktober heeft werkgeefster de arbeidsovereenkomst opgezegd met ingang van 16 oktober 2025. Volgens werknemer was het proeftijdontslag niet rechtsgeldig, onder meer omdat hij al sinds 16 juni 2025 in dienst was bij werkgeefster en toen dezelfde werkzaamheden en verantwoordelijkheden had als na 1 september 2025. Dit onregelmatige ontslag waarin hij berust geeft werknemer aanspraak op een gefixeerde schadevergoeding van 2,5 maand inclusief 8% vakantietoeslag. Volgens werkgeefster is er wel sprake van een geldig proeftijdontslag. Werknemer was voor 1 september 2025 niet in dienst bij werkgeefster en heeft alleen wat hand- en spandiensten verricht voorafgaand aan zijn indiensttreding per 1 september 2025. Werkgeefster had ook de financiële middelen niet om werknemer al op 16 juni 2025 in dienst te nemen. Bovendien is werknemer in maart 2025 een oproepcontract aangeboden dat hij heeft geweigerd. Mocht hierover anders worden geoordeeld dan waren de werkzaamheden niet te vergelijken met de werkzaamheden die werknemer na 1 september 2025 verrichtte in de functie van senior pedagogisch medewerker. Werknemer verzoekt – onder meer - achterstallig loon, de gefixeerde schadevergoeding en een billijke vergoeding.

Oordeel

De kantonrechter oordeelt als volgt. Voldoende staat vast dat werknemer al eerder dan per 1 september 2025 werkzaamheden heeft verricht voor werkgeefster. Werkgeefster heeft geen grondslag aangedragen voor de betalingen die zij in de aan september 2025 voorafgaande periode heeft gedaan. Het bestaan van een eerder dienstverband tussen dezelfde partijen sluit echter niet uit dat een rechtsgeldig proeftijdbeding is overeengekomen. Hiervoor is dan wel vereist dat er duidelijk andere vaardigheden of verantwoordelijkheden van werknemer werden vereist dan voorheen. Dergelijke verschillende tussen de verrichte werkzaamheden volgen echter niet uit bijvoorbeeld functieomschrijvingen, omdat die ontbreken. Het loon dat werknemer voorafgaand aan september 2025 ontving, komt nagenoeg overeen met het loon dat hij daarna ontving. Geconcludeerd wordt dat het proeftijdbeding geen gelding heeft tussen partijen en de opzegging van het dienstverband op 16 oktober 2025 daarom onregelmatig is geweest. De gefixeerde schadevergoeding berekend over een opzegtermijn van 2,5 brutomaandloon wordt toegewezen. Ook de transitievergoeding wordt toegewezen en er wordt een billijke vergoeding van € 2.500 toegekend. Daarbij is meegenomen dat het onrechtmatige proeftijd ontslag ertoe heeft geleid dat werknemer van de ene op de andere dag zonder inkomen zat hetgeen voor hem een stressvolle situatie is geweest. Verder is daarbij rekening gehouden met het feit dat hij pas enkele maanden voor werkgeefster werkzaamheden verrichtte en op het moment van de zitting weer werkte voor het uitzendbureau waar hij ook voordat hij voor werkgeefster begon, had gewerkt. Tot slot is van belang dat behalve het onrechtmatige proeftijdontslag aan werkgeefster geen (ernstige) verwijten zijn te maken, in die zin en zoals ook eerder al overwogen dat het proeftijdontslag vooraf is gegaan door een opstartfase waarin nog nauwelijks inkomsten werden gegenereerd en de focus vooral gericht was op groei van het aantal aanmeldingen. De wettelijke verhoging wordt gematigd tot 25%. Werkgeefster wordt in de proceskosten veroordeeld.