Naar boven ↑

Rechtspraak

werkneemster/Stichting Anjer Thuiszorg
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 3 maart 2026
ECLI:NL:RBROT:2026:2427
Thuiszorgorganisatie bij verstek veroordeeld tot betaling (achterstallig) loon werkneemster.

Feiten

Werkneemster volgt sinds 21 januari 2025 een opleiding bij Zorgcampus B.V. In het kader daarvan is ze per 12 juni 2025 in dienst getreden bij Stichting Anjer Thuiszorg op basis van een leer-/arbeidsovereenkomst. Volgens werkneemster heeft Anjer Thuiszorg haar loon niet volledig en vanaf december 2025 zelfs helemaal niet betaald. Daarnaast stelt zij dat zij onvoldoende begeleiding van Anjer Thuiszorg krijgt en dat zij weliswaar nog enkele dagen in de maand december 2025 heeft gewerkt, maar daarna niet meer door Anjer Thuiszorg is ingepland voor het uitvoeren van haar werkzaamheden. Werkneemster wil weer aan het werk en daarbij goede begeleiding van Anjer Thuiszorg ontvangen, zodat zij haar opleiding zo snel mogelijk kan afronden. In dat kader heeft werkneemster in kort geding een aantal vorderingen ingesteld. Anjer Thuiszorg is niet ter zitting verschenen; tegen haar is verstek verleend.

Oordeel

De kantonrechter oordeelt als volgt. Anjer Thuiszorg heeft geen verweer gevoerd, zodat de kantonrechter uitgaat van de juistheid van de stellingen van werkneemster. Omdat de eisen van werkneemster de kantonrechter voor het grootste deel niet ongegrond of onrechtmatig voorkomen, zullen die eisen worden toegewezen, met uitzondering van het volgende. De dwangsommen worden gematigd. De gevorderde vakantietoeslag ten aanzien van het achterstallige loon en het loon vanaf 1 februari 2026 worden afgewezen. In artikel 4.2.12 van de toepasselijke Cao Verpleeg-, Verzorgingshuizen en Thuiszorg en Jeugdgezondheidszorg is namelijk bepaald dat het vakantiegeld in de maand mei of in periode 5 van het lopende kalenderjaar wordt uitbetaald, tenzij werkgever en werknemer in afwijking daarvan hebben afgesproken dat het vakantiegeld maandelijks of per periode van vier weken wordt uitbetaald. Van dergelijke afwijkende afspraken is niet gebleken. Werkneemster heeft ter zitting bovendien bevestigd dat het vakantiegeld pas in de maand mei moet worden uitbetaald. Dat betekent dat dit deel van de eis van werkneemster op dit moment niet opeisbaar is. Anjer Thuiszorg kan voorts niet veroordeeld worden om de door werkneemster gemaakte opdrachten (zes werkplannen) goed te keuren. Of die werkplannen goedgekeurd moeten worden kan de kantonrechter immers niet beoordelen. Die beoordeling moet door de werkgever, Anjer Thuiszorg, gemaakt worden. De eis om Anjer Thuiszorg te veroordelen om in de planning op te nemen welke begeleiding aan werkneemster wordt geboden, zodat zij alle verpleegtechnische handelingen binnen vier weken na de datum van dit vonnis kan oefenen, wordt toegewezen. Werkneemster heeft geëist dat daarin ook opgenomen wordt dat werkneemster alle verpleegtechnische handelingen ‘kan uitvoeren’, maar dat deel van de eis is niet toewijsbaar. Ook hiervoor geldt namelijk dat alleen de werkgever – en níet de kantonrechter – kan beoordelen of werkneemster die handelingen daadwerkelijk kan uitvoeren. De proceskosten komen voor rekening van Anjer Thuiszorg.