Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam (Locatie Amsterdam), 9 februari 2026
ECLI:NL:RBAMS:2026:2409
Feiten
Werkneemster is sinds 1 december 1994 in dienst van de stichting Hogeschool van Amsterdam (hierna: HvA), laatstelijk in de functie van opleidingsmanager 2. Haar salaris bedraagt € 7.495,89 bruto per maand, exclusief vakantietoeslag en overige emolumenten. Op de arbeidsovereenkomst is de cao HBO van toepassing. Bij beschikking van 30 juni 2025 heeft de kantonrechter op verzoek van HvA de arbeidsovereenkomst ontbonden per 1 januari 2026, onder toekenning van een transitievergoeding en een billijke vergoeding. In die beschikking is geoordeeld dat er sprake was van een ernstig en duurzaam verstoorde arbeidsrelatie en dat HvA ernstig verwijtbaar had gehandeld, onder meer door werkneemster plotseling op non-actief te stellen, haar geen behoorlijke gelegenheid tot verweer te bieden tegen anonieme meldingen, haar eigen procedures niet te volgen en de schorsing onnodig lang te laten voortduren. In die beschikking was een intrekkingstermijn opgenomen als bedoeld in artikel 7:686a lid 6 BW. HvA heeft haar ontbindingsverzoek vervolgens binnen die termijn, op 10 juli 2025, ingetrokken, waardoor de arbeidsovereenkomst is blijven voortbestaan. Daarna heeft werkneemster HvA gevraagd welk perspectief zij nog had binnen de organisatie. HvA heeft daarop gereageerd dat zij met werkneemster in gesprek wilde en heeft mediation voorgesteld, gericht op werkhervatting. Werkneemster heeft vervolgens zelf in een persoonlijke e-mail aan de voorzitter van het college van bestuur de gang van zaken geschetst en opnieuw gevraagd welk perspectief HvA haar bood, maar een concreet antwoord bleef lange tijd uit. Op 28 augustus 2025 heeft de gemachtigde van werkneemster aan HvA bericht dat mediation voor werkneemster, gelet op alles wat in de voorafgaande anderhalf jaar was gebeurd, een gepasseerd station was en dat terugkeer of gesprekken daarover voor haar ziekmakend en onmogelijk waren. In september 2025 heeft werkneemster vanwege spanningsklachten een preventief gesprek gehad met de bedrijfsarts. Na publicatie van de beschikking van 30 juni 2025 in de media heeft werkneemster zich op 10 september 2025 ziek gemeld. De bedrijfsarts heeft daarna geoordeeld dat de beperkingen van werkneemster samenhingen met negatieve werkgerelateerde factoren en mediation geadviseerd. HvA heeft vervolgens laten weten dat werkhervatting in de eigen functie volgens haar niet meer mogelijk was, maar dat in gezamenlijk overleg naar andere passende werkzaamheden binnen HvA zou kunnen worden gezocht. Daarover hebben partijen in oktober en november 2025 gesprekken gevoerd, met name over mogelijkheden van herplaatsing. Werkneemster heeft uiteindelijk niet willen ingaan op verdere invulling van de arbeidsovereenkomst en heeft aangekondigd zelf een ontbindingsverzoek in te dienen. Werkneemster verzoekt ontbinding van de arbeidsovereenkomst, met toekenning van onder meer de transitievergoeding en een billijke vergoeding, omdat HvA ook na intrekking van haar eerdere ontbindingsverzoek ernstig verwijtbaar heeft gehandeld.
Oordeel
De kantonrechter oordeelt als volgt.
Ontbinding van de arbeidsovereenkomst
Nu beide partijen uiteindelijk ontbinding van de arbeidsovereenkomst wensen, wordt het ontbindingsverzoek van werkneemster toegewezen. De arbeidsovereenkomst wordt ontbonden per 1 april 2026. De door werkneemster verzochte vergoeding wegens het niet in acht nemen van de opzegtermijn wordt afgewezen, omdat het hier gaat om een ontbindingsverzoek van de werknemer.
Ernstig verwijtbaar handelen
De kantonrechter stelt voorop dat voor de gang van zaken tot juni 2025 wordt aangesloten bij de eerdere beschikking van 30 juni 2025, nu daartegen geen hoger beroep is ingesteld. Daarin is al geoordeeld dat HvA ernstig verwijtbaar heeft gehandeld. Volgens de kantonrechter mochten van HvA, nadat zij haar eerdere ontbindingsverzoek had ingetrokken, extra inspanningen worden verwacht om de terugkeer van werkneemster mogelijk te maken. HvA heeft die inspanningen onvoldoende geleverd. Zij heeft na de intrekking niet zelf voortvarend contact gezocht om de ontstane situatie te bespreken, onvoldoende gereflecteerd op de in de eerdere beschikking vastgestelde fouten en lange tijd geen concreet perspectief geboden over de verdere invulling van de arbeidsrelatie. Daarbij weegt mee dat de op non-actiefstelling van werkneemster ook na de intrekking bleef voortduren en ten tijde van de mondelinge behandeling zelfs nog steeds niet was opgeheven. Ook is niet gebleken dat HvA zich daadwerkelijk heeft ingespannen om werkneemster te rehabiliteren. Dat HvA mediation heeft voorgesteld, maakt dit niet anders. Gelet op de voorgeschiedenis en de eerdere vaststelling dat de arbeidsverhouding ernstig verstoord was en dat HvA ernstig verwijtbaar had gehandeld, is de afwijzende houding van werkneemster ten aanzien van mediation begrijpelijk. De kantonrechter overweegt wel dat vanaf september 2025 ook van werkneemster meer inspanningen mochten worden verwacht om uit de ontstane patstelling te komen. Dat neemt echter niet weg dat HvA per saldo opnieuw ernstig verwijtbaar heeft gehandeld.
Vergoedingen
Omdat de ontbinding het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen van HvA, heeft werkneemster recht op een billijke vergoeding. De kantonrechter neemt daarbij het in de eerdere beschikking van 30 juni 2025 vastgestelde bedrag van € 350.000 bruto tot uitgangspunt. De ontwikkelingen na die beschikking geven volgens de kantonrechter onvoldoende aanleiding dat bedrag naar boven of beneden bij te stellen. Daarom wordt opnieuw een billijke vergoeding van € 350.000 bruto toegekend. Daarnaast heeft werkneemster recht op een transitievergoeding. Die wordt, uitgaande van een einddatum van 1 april 2026, vastgesteld op € 92.367,67 bruto.
