Naar boven ↑

Rechtspraak

werkneemster/werkgever
Rechtbank Oost-Brabant (Locatie 's-Hertogenbosch), 8 januari 2026
ECLI:NL:RBOBR:2026:1952
Vordering achterstallig loon wegens het niet verstrekken en ondertekenen van een nieuwe vaststellingsovereenkomst.

Feiten

Werkneemster is op 23 oktober 2023 in dienst getreden bij werkgever in de functie van accountmanager. Werkneemster en de bestuurder van werkgever zijn kennissen en voorafgaand aan het sluiten van de arbeidsovereenkomst hebben zij de afspraak gemaakt dat in het geval de werkzaamheden bij werkgever niet bevallen, partijen door middel van een vaststellingsovereenkomst (hierna: VSO) afscheid van elkaar nemen. Begin december 2024 heeft werkneemster kenbaar gemaakt de arbeidsovereenkomst te willen beëindigen. Werkgever heeft hiervoor een VSO opgesteld en aangereikt. In december 2024 heeft werkneemster een gesprek gehad met de bestuurder en heeft zij, na een aanbod van de werkgever, besloten werkzaam te blijven in de functie van accountmanager, maar met de mogelijkheid om vier dagen vanuit huis te werken. Op 17 maart 2025 heeft werkneemster aangegeven de arbeidsovereenkomst te willen beëindigen en zij verzoekt de VSO aan te passen. Op 21 maart 2025 heeft werkneemster haar spullen - op de bedrijfsauto na - ingeleverd. Uiteindelijk is de aangepaste VSO niet ondertekend omdat deze zou afwijken van de gemaakte afspraken. In april 2025 heeft werkneemster zich ziek gemeld. Werkneemster vordert betaling van het achterstallige loon omdat partijen geen overeenstemming hebben bereikt over de beëindiging van de arbeidsovereenkomst en er geen nieuwe VSO, conform de afspraken uit de VSO van december 2024, is verstrekt en ondertekend. Werkgever stelt dat werkneemster niet-ontvankelijk is omdat hij niet meer de werkgever is omdat alle werknemers vanaf 1 januari 2025 werkzaam zijn voor een andere vennootschap.

Oordeel

De kantonrechter acht werkneemster ontvankelijk in deze procedure. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de bestuurder uitgelegd dat hij bestuurder is van beide vennootschappen. Partijen zijn het erover eens dat werkneemster vanaf december 2024 dezelfde werkzaamheden is blijven verrichten. Er heeft hier geen wijziging in plaatsgevonden, behoudens de locatie waar de werkzaamheden werden uitgevoerd. Werkgever heeft geen producties overgelegd waaruit blijkt dat hij niet meer de werkgever was. De kantonrechter merkt op dat in het geval een werknemer het initiatief neemt tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst, een werkgever niet te snel kan aannemen dat de verklaring van een werknemer op de vrijwillige beëindiging van de arbeidsovereenkomst is gericht. Volgens vaste rechtspraak geldt dat voor de opzegging door een werknemer een duidelijke en ondubbelzinnige verklaring is vereist, die erop is gericht om de beëindiging van de arbeidsovereenkomst te bewerkstelligen. Deze strenge maatstaf dient ertoe de werknemer te beschermen tegen de ernstige (financiële) gevolgen die vrijwillige beëindiging van de arbeidsovereenkomst voor hem kan hebben. Dat partijen de VSO in maart 2025 niet hebben ondertekend staat vast. Dat heeft dan ook tot consequentie dat partijen geen overeenstemming hebben bereikt over de beëindiging van de arbeidsovereenkomst en dat werkneemster recht heeft op de gevorderde loonbetaling over de maand april 2025. Werkneemster maakte ten tijde van haar werkzaamheden gebruik van een auto. Het staat vast dat werkgever deze auto onaangekondigd op 9 april 2025 heeft opgehaald. De vordering van werkneemster van € 62,20 bruto aan bijtelling wordt toegekend, omdat zij de auto in de periode van 9 april tot en met 30 april 2025 niet privé heeft kunnen gebruiken.  Ook de gevorderde eindejaarsuitkering wordt toegewezen.