Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/werkgever b.v.
Rechtbank Amsterdam (Locatie Amsterdam), 12 februari 2026
ECLI:NL:RBAMS:2026:1810
Het ontslag op staande voet is onterecht omdat werkgever zelf in aanzienlijke mate heeft bijgedragen aan de gespannen werksituatie voorafgaand aan de woordenwisseling, zodat er geen sprake was van een dringende reden.

Feiten

Werknemer is per 1 september 2021 in dienst getreden bij werkgever in de functie van medewerker 1. Werkgever exploiteert een horecaonderneming. Op 8 oktober 2025 is werknemer op staande voet ontslagen. Het ontslag is per brief van 9 oktober 2025 aan werknemer bevestigd. In de ontslagbrief is vermeld dat de dringende reden is gelegen in het bedreigen van de echtgenoot van A met een schaar. A heeft na het voorval aangifte bij de politie gedaan van bedreiging. Bij brief van 28 oktober 2025 heeft werknemer werkgever bericht dat hij van mening is dat het ontslag niet rechtsgeldig is. Werknemer verzoekt betaling van een billijke vergoeding, een vergoeding wegens onregelmatige opzegging en de transitievergoeding. Werknemer berust in het gegeven ontslag.

Oordeel

Partijen zijn het in grote lijnen eens over wat heeft plaatsgevonden op 8 oktober 2025. Waar partijen van elkaar afwijken, is met name de bejegening over en weer. Werkgever heeft in de ontslagbrief van 8 oktober 2025 de bedreiging van A aan het ontslag ten grondslag gelegd. Werkgever stelt dat werknemer een schaar in een dreigende houding vasthield richting A. Werknemer erkent dat hij de schaar vasthield, maar ontkent dat hij A daarmee bedreigde. Naar het oordeel van de kantonrechter kan het best zo zijn dat A deze schaar als bedreigend heeft ervaren. Maar daar staat tegenover dat de eigenaar heeft toegelaten dat zijn echtgenote zich tijdens werktijd heeft bemoeid met de bedrijfsvoering van werkgever zonder dat zij een functie bij de onderneming heeft. Deze bemoeienis van zijn echtgenote is uitgelopen op een woordenwisseling met ten minste één personeelslid, te weten werknemer. Vervolgens heeft de eigenaar van werkgever niet, althans niet voldoende, ingegrepen om de ontstane situatie te de-escaleren. De eigenaar van werkgever en zijn echtgenote hebben daarmee sterk bijgedragen aan het ontstaan van een gespannen werksfeer voorafgaand aan de woordenwisseling. Die bijdrage moet aan werkgever als werkgever toegeschreven worden. Vanwege die bijdrage van werkgever aan een gespannen werksfeer heeft werkgever onvoldoende onderbouwd dat de vervolgens ontstane woordenwisseling waarbij werknemer een schaar in zijn hand had, een dusdanige dringende reden is, dat van werkgever niet verlangd kon worden de arbeidsovereenkomst nog langer te laten voortduren. Voor zover werknemer met de schaar ook werkelijk een dreigende houding heeft aangenomen, kan hem daarvan een verwijt worden gemaakt. Maar ook dan is onvoldoende sprake van een dringende reden die een ontslag op staande voet rechtvaardigt, gelet op de aanmerkelijke rol van de werkgever in de aanloop naar de woordenwisseling. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de door werkgever aangevoerde dringende reden in de gegeven omstandigheden het ontslag op staande voet niet rechtvaardigt. Het verzoek van werknemer tot toekenning van een billijke vergoeding wordt dan ook toegewezen, omdat hiervoor is geoordeeld dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is. De kantonrechter zal hier een billijke vergoeding toekennen van € 10.000 bruto. Hierbij wordt meegewogen dat als werkgever was overgegaan tot een ontbindingsprocedure wegens een verstoorde arbeidsverhouding, dit geleid had tot het einde van de arbeidsovereenkomst. Met een dergelijke procedure was echter wel meer tijd gemoeid, waardoor werknemer langer loon had ontvangen. Omgekeerd wordt meegewogen dat werknemer, mede gelet op zijn leeftijd, op korte termijn een nieuwe baan kan vinden. Ook speelt mee dat een ongeldig ontslag als ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever wordt aangemerkt. Ook de vergoeding wegens onregelmatige opzegging en de transitievergoeding worden toegewezen.