Naar boven ↑

Rechtspraak

werkneemster/Declacare B.V.
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 3 maart 2026
ECLI:NL:RBROT:2026:2191
Beslissing van werkgever om arbeidsovereenkomst niet te verlengen niet in strijd met de Wgbh/cz. Niet gebleken dat werkneemster een chronische ziekte heeft die leidt tot beperkingen in de zin van de Wgbh/cz.

Feiten

Het dienstverband tussen partijen is geëindigd nadat Declacare heeft besloten de derde arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd niet te verlengen. Werkneemster stelt dat dit besluit is genomen vanwege haar chronische ziekte, te weten PTSS, en dat Declacare daarmee ernstig verwijtbaar heeft gehandeld. Declacare betwist dit en voert aan dat het besluit is ingegeven door andere omstandigheden, zoals de relatief korte duur van het dienstverband, de langdurige afwezigheid van werkneemster en het ontbreken van voldoende inzicht in haar functioneren. Werkneemster verzoekt de kantonrechter te verklaren voor recht dat het niet voortzetten van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen van Declacare. Daarnaast verzoekt zij om toekenning van een billijke vergoeding van € 159.623,88 bruto en veroordeling van Declacare in de proceskosten.

Oordeel

De kantonrechter oordeelt als volgt. Vooropgesteld wordt dat het een werkgever in beginsel vrijstaat een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd niet te verlengen. De kantonrechter is van oordeel dat Declacare voldoende heeft toegelicht dat het besluit om het contract niet om te zetten naar onbepaalde tijd is gebaseerd op organisatorische wijzigingen, de beperkte duur van het dienstverband en het ontbreken van voldoende inzicht in de geschiktheid van werkneemster door haar afwezigheid. Ten aanzien van het beroep op de Wet gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte overweegt de kantonrechter dat niet is gebleken dat sprake is van een chronische ziekte in de zin van die wet. Hoewel vaststaat dat Declacare bekend was met de PTSS van werkneemster, kan niet worden aangenomen dat deze zonder meer als een chronische ziekte kwalificeert die leidt tot langdurige beperkingen in de arbeidsparticipatie. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat werkneemster ten tijde van de beslissing tot niet-verlenging aan het re-integreren was en dat er uitzicht bestond op volledig herstel binnen afzienbare tijd. De overige verwijten van werkneemster met betrekking tot het re-integratietraject leiden evenmin tot het oordeel dat sprake is van ernstig verwijtbaar handelen. Uit het dossier blijkt dat Declacare de bedrijfsarts tijdig heeft ingeschakeld, diens adviezen heeft opgevolgd en regelmatig contact heeft onderhouden met werkneemster. Eventuele tekortkomingen hebben met name een administratief karakter en zijn onvoldoende zwaarwegend om als ernstig verwijtbaar te kwalificeren. De kantonrechter concludeert dat er geen sprake is van ernstig verwijtbaar handelen door Declacare. De verzoeken van werkneemster worden daarom afgewezen en zij wordt veroordeeld in de proceskosten.