Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 27 februari 2026
ECLI:NL:RBROT:2026:2059
Feiten
Werknemer is sinds 1 januari 2020 in dienst geweest bij werkgever als senior technisch tekenaar. Op 12 november 2025 heeft hij zijn arbeidsovereenkomst opgezegd, omdat hij als junior engineer in dienst wil treden bij bedrijf X, een onderneming die op 17 november 2025 is opgericht door een voormalig werknemer van werkgever en een zzp’er die lange tijd voor werkgever heeft gewerkt. Tussen partijen geldt een concurrentiebeding dat werknemer verbiedt om binnen één jaar na het einde van de arbeidsovereenkomst werkzaam of betrokken te zijn bij activiteiten die gelijk of gelijksoortig zijn aan de activiteiten van werkgever of aan hem gelieerde ondernemingen en relaties. Werknemer stelt zich op het standpunt dat [bedrijf X] niet onder de werkingssfeer van dat beding valt. Subsidiair verzoekt hij om schorsing van het concurrentiebeding, omdat zijn belang bij indiensttreding bij bedrijf X zwaarder zou wegen dan het belang van werkgever. Partijen twisten over de vraag of bedrijf X onder de reikwijdte van het concurrentiebeding valt, of het beding moet worden geschorst en of werknemer aanspraak heeft op een vergoeding.
Oordeel
De kantonrechter oordeelt als volgt.
Werkingssfeer concurrentiebeding
De kantonrechter oordeelt voorlopig dat bedrijf X onder de werkingssfeer van het concurrentiebeding valt. Het beding is ruim geformuleerd en verbiedt werknemer om werkzaam te zijn bij activiteiten die gelijk of gelijksoortig zijn aan die van werkgever. Voldoende aannemelijk is dat tussen de activiteiten van werkgever en bedrijf X in ieder geval overlap bestaat. Beide ondernemingen houden zich bezig met de technische ontwerpfase van projecten in de ondergrondse infrastructuur. Dat bedrijf X daarnaast mogelijk ook advisering en uitvoering verricht, maakt die overlap niet ongedaan. Daarom hoeft werkgever niet te gedogen dat werknemer bij bedrijf X in dienst treedt.
Schorsing concurrentiebeding
De kantonrechter oordeelt dat onvoldoende aannemelijk is dat de bodemrechter het concurrentiebeding geheel of gedeeltelijk zal vernietigen. Voor schorsing in kort geding is vereist dat werknemer door het beding, in verhouding tot het te beschermen belang van werkgever, onbillijk wordt benadeeld. Daarvan is volgens de kantonrechter voorlopig geen sprake. Werkgever heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat hij een zwaarwegend belang heeft bij handhaving van het beding. Hij heeft gesteld dat een opdrachtgever met een contractsbelang van € 625.000 op jaarbasis geen uren meer afneemt sinds bedrijf X zich daar heeft gemeld, en dat bedrijf X in staat is die opdracht en mogelijk meer opdrachten van hem over te nemen als werknemer daar in dienst treedt. Werknemer heeft dat niet weersproken. De kantonrechter acht daarom aannemelijk dat werkgever gegronde vrees heeft voor aantasting van zijn bedrijfsdebiet en dat dit precies het belang is dat met een concurrentiebeding wordt beschermd. Daartegenover staat het belang van werknemer om bij bedrijf X als junior engineer te gaan werken tegen een salaris dat € 1.000 bruto per maand hoger ligt. Volgens werknemer is sprake van een aanzienlijke positieverbetering. Werkgever heeft daartegen ingebracht dat al tijdens een functioneringsgesprek op 25 juli 2025 was besloten dat werknemer intern zou doorgroeien van technisch tekenaar naar junior engineer en per 1 januari 2026 naar medior engineer, mits hij bepaalde doelstellingen zou halen. Nu werkgever dat heeft onderbouwd met een gespreksverslag en werknemer dit betwist, maar in kort geding geen nader onderzoek kan plaatsvinden, blijft onduidelijk of werkelijk sprake is van een aanzienlijke positieverbetering. Dat bij bedrijf X een hoger salaris wordt geboden, is op zichzelf onvoldoende om het belang van werknemer zwaarder te laten wegen dan het belang van werkgever. De gevorderde schorsing van het concurrentiebeding wordt daarom afgewezen.
