Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam (Locatie Amsterdam), 20 januari 2026
ECLI:NL:RBAMS:2026:1236
Feiten
Werkneemster is op 1 oktober 2015 in dienst getreden bij Anjer Schoonmaak & Bedrijfsdiensten B.V. (hierna: Anjer). Op de arbeidsovereenkomst is de cao voor het schoonmaak- en glazenwassersbedrijf van toepassing. In de arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd van 17 februari 2017 is opgenomen dat werkneemster wordt betaald op basis van gewerkte dagen en uren en dat niet-gewerkte dagen niet worden uitbetaald. Werkneemster werkte op een schoonmaakobject dat per 1 februari 2024 is overgenomen door Balans Schoonmaak- en Bedrijfsdiensten (hierna: Balans). Balans heeft aan werkneemster meegedeeld dat zij niet verplicht was haar over te nemen, omdat zij niet beschikte over een erkend schoonmaakdiploma, en dat zij daarom recht hield op haar contracturen bij Anjer. Anjer heeft vervolgens eerst aan werkneemster bericht dat zij geen ander werk kon aanbieden en dat zij het aanbod van Balans moest accepteren. Daarna heeft Anjer zich op het standpunt gesteld dat Balans werkneemster juist wel moest overnemen. Werkneemster heeft aan Anjer laten weten dat zij geen ontslag had genomen, dat Balans haar niet wilde aannemen voor haar uren en dat Anjer haar daarom ander werk moest aanbieden. Zij heeft daarbij meegedeeld dat zij vanaf 1 februari 2024 wel beschikbaar was voor werk, maar geen werkzaamheden verrichtte omdat er geen werk was. De gemachtigde van werkneemster heeft Anjer op 12 maart 2024 gesommeerd het loon door te betalen en zich daarbij op het standpunt gesteld dat werkneemster laatstelijk 20 uur per week werkte. Op 19 maart 2024 heeft Anjer werkneemster met ingang van 1 april 2024 een nieuw object aangeboden voor 15 uur per week. Werkneemster heeft daarop aanspraak gemaakt op 20 uur werk per week en op betaling van loon over februari en maart 2024. Werkneemster vordert een verklaring voor recht dat de omvang van de arbeidsovereenkomst 20 uur per week bedraagt, alsmede betaling van achterstallig loon over februari en maart 2024. Partijen twisten over de omvang van de arbeidsduur en over de vraag of Anjer nog loon verschuldigd is.
Oordeel
De kantonrechter oordeelt als volgt.
Arbeidsomvang
De kantonrechter stelt vast dat uit de overgelegde loonstroken volgt dat werkneemster in de periode januari 2022 tot en met december 2023 op de meeste gewerkte dagen 4 uur werkte. Ook uit de loonstrook van januari 2024 blijkt dat zij gemiddeld 4 uur per gewerkte dag werkte. Verder bepaalt de toepasselijke cao dat een dienst minimaal 4 uur per dag bedraagt. Omdat partijen voor de laatste jaren geen duidelijke arbeidsduur hebben vastgelegd, past de kantonrechter het rechtsvermoeden van artikel 7:610b BW toe. De periode direct voorafgaand aan de procedure acht de kantonrechter niet representatief vanwege de contractswisseling per 1 februari 2024. Daarom neemt de kantonrechter als representatieve periode november 2023 tot en met januari 2024. Op basis daarvan komt de gemiddelde arbeidsduur uit op 19 uur per week. Toch staat dit volgens de kantonrechter, gelet op het structurele patroon van 4 uur per werkdag en vijf werkdagen per week, niet eraan in de weg om een vermoedelijke arbeidsomvang van 20 uur per week aan te nemen. De kantonrechter verklaart daarom voor recht dat de omvang van het dienstverband met ingang van 1 februari 2024 20 uur per week bedraagt, verdeeld over vijf dagen per week. Voor eerdere jaren wordt die arbeidsomvang niet aangenomen, omdat uit de eerdere arbeidsovereenkomsten volgt dat toen andere uren golden en werkneemster niet heeft aangetoond dat zij toen structureel meer werkte.
Achterstallig loon
De kantonrechter oordeelt dat werkneemster over februari en maart 2024 recht heeft op loon. Zij heeft in die maanden niet gewerkt omdat Anjer er ten onrechte van uitging dat zij per 1 februari 2024 naar Balans zou overgaan. De door Anjer overgelegde gecorrigeerde loonstroken en berekeningen zijn zonder nadere toelichting onbegrijpelijk, onder meer omdat daarin met wisselende en niet-logische uurgrondslagen is gerekend. De kantonrechter concludeert daarom dat er sprake is van achterstallig loon. Bij de berekening daarvan moet echter worden uitgegaan van de op grond van artikel 7:610b BW vastgestelde vermoedelijke arbeidsduur van 19 uur per week. De vordering tot betaling van het achterstallige loon over februari en maart 2024 wordt in zoverre toegewezen, vermeerderd met vakantietoeslag en overige emolumenten.
