Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (Locatie Arnhem), 9 maart 2026
ECLI:NL:GHARL:2026:1416
Feiten
Verweerder 2 en verzoekster hebben van 2017 tot 2024 een affectieve relatie gehad en met elkaar samengewoond. Verzoekster is met ingang van 28 juni 2020 bij verweerder 1, waarvan verweerder 2 directeur en grootaandeelhouder is, in dienst getreden als verkoopmedewerkster. Na een relatiebreuk maakt verzoekster aanspraak op loon. Verweerder 2 stelt dat zij geen recht heeft op loon, omdat er sprake is van een schrijnconstructie. Verweerders hebben de kantonrechter verzocht om voor recht te verklaren dat tussen partijen geen arbeidsovereenkomst is gesloten en de overeenkomst te ontbinden. Verzoekster heeft op haar beurt de kantonrechter verzocht om doorbetaling van haar loon over december 2024 tot aan de datum waarop de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig zal zijn geëindigd, en om toekenning van de transitievergoeding en een billijke vergoeding. De kantonrechter heeft enkel de verzochte verklaring voor recht dat er geen arbeidsovereenkomst is tussen partijen, toegewezen en de overige verzoeken over en weer afgewezen (zie AR 2025-0728). Verzoekster heeft hoger beroep ingesteld.
Oordeel
Het hof laat de beschikking van de kantonrechter in stand en oordeelt als volgt. Omdat het verzoekster is die zich op de rechtsgevolgen van het bestaan van een arbeidsverhouding beroept (zoals het recht op loon en vergoedingen), is het aan haar om voldoende feiten te stellen en zo nodig te bewijzen die de conclusie kunnen dragen dat er sprake is van een arbeidsovereenkomst. Verzoekster verwijst hoofdzakelijk naar de schriftelijke arbeidsovereenkomst waarin is vastgelegd dat zij zich verbindt om tegen betaling 37 uur per week werkzaamheden te verrichten als verkoopmedewerkster. Deze akte levert tussen partijen weliswaar dwingend bewijs op, maar dit kan met tegenbewijs worden ontkracht. Daarin zijn verweerders naar het oordeel van het hof geslaagd. Met de schriftelijke verklaringen van de (voormalige) werknemers is overtuigend in twijfel getrokken dat verzoekster verplicht was om enige arbeid als verkoopmedewerkster te verrichten. Deze werknemers hebben verklaard dat zij nooit hebben gezien dat verzoekster werkzaamheden heeft verricht, terwijl een van deze werknemers onbetwist jarenlang de enige winkel van het bedrijf runde en een andere werknemer de online marketing verzorgde. Verzoekster heeft wel appverkeer tussen haar en verweerder 2 overgelegd, maar daaruit valt enkel af te leiden dat verzoekster een paar keer op de loods heeft gepast, wel eens met verweerder 2 heeft meegedacht over de inrichting van de winkel en over de marketing. Dit onderstreept volgens het hof juist het incidentele karakter van haar werkzaamheid en daaruit valt geen verplichting tot het verrichten van die werkzaamheden gedurende 37 uur per week af te leiden. Het laat zich veeleer verklaren door betrokkenheid bij het reilen en zeilen van het bedrijf van haar partner. Alleen al omdat in rechte is komen vast te staan dat de verplichting om arbeid te verrichten ontbrak, is tussen verweerder 1 en verzoekster geen arbeidsovereenkomst tot stand gekomen.
