Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland (Locatie Haarlem), 12 december 2025
ECLI:NL:RBNHO:2025:15955
Feiten
Werkneemster is per 1 september 2024 in dienst getreden bij werkgeefster in de functie van medewerkster hondengedrag. Op 31 augustus 2025 heeft werkneemster zich na een ongeval ziek gemeld met een whiplash. Het loon werd sinds 1 september 2025 niet uitbetaald. Werkneemster heeft verzocht om inschakeling van een bedrijfsarts en om betaling van achterstallig loon. Op 4 december 2025 heeft werkgeefster een bedrag van ongeveer € 5.000 aan achterstallig loon overgemaakt. Ter zitting heeft werkgeefster werkneemster de bijbehorende loonstroken overhandigd. Werkneemster vordert een veroordeling van werkgeefster (en haar firmanten) tot betaling van achterstallig loon, de wettelijke verhoging en de proceskosten. Werkneemster voert aan dat zij sinds haar ziekmelding recht heeft op loondoorbetaling op grond van artikel 7:629 BW. Omdat 70% van het overeengekomen loon minder is dan het wettelijk minimumloon, moet het wettelijk minimumloon inclusief vakantietoeslag worden betaald. Werkgeefster heeft mondeling verweer gevoerd.
Oordeel
De kantonrechter oordeelt als volgt. Werkneemster heeft een spoedeisend belang aangezien het gaat om een loonvordering en zij sinds 1 september 2025 geen loon meer ontvangt. Werkgeefster heeft aangevoerd dat loondoorbetaling onrechtvaardig voelde, omdat werkneemster zich twee dagen na verlenging van haar contract ziek heeft gemeld. Inmiddels erkent werkgeefster dat werkneemster recht heeft op loondoorbetaling. Gevraagd naar de oorzaak van het verschil tussen deze bedragen, heeft werkgeefster een e-mail van haar boekhouder getoond waaruit volgt dat dit komt doordat het aantal loondagen op basis van de standaardwerkdagen van werkneemster per maand verschilt. Bij aanvang van de arbeidsongeschiktheid gelden bovendien twee wachtdagen. De gemachtigde van werkneemster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en gesteld dat een vast maandloon moet worden uitbetaald omdat in de arbeidsovereenkomst een vast (bruto)maandloon is overeengekomen, ongeacht het aantal werkbare dagen. Werkgeefster heeft inmiddels aan haar betalingsverplichtingen voldaan. Omdat het loon zonder deugdelijke reden fors te laat is betaald, wordt werkgeefster wel veroordeeld tot betaling van de wettelijke verhoging, die wordt gematigd tot 30%. De gevorderde toekomstige loontermijnen zullen worden toegewezen vanaf het moment van opeisbaarheid en voor zover deze wettelijk verschuldigd zijn. De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten worden toegewezen, omdat werkneemster voldoende heeft gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Omdat werkgeefster geen consument is, is het in beginsel voldoende als door of namens de schuldeiser een enkele brief is verstuurd. Uit het dossier blijkt dat (de gemachtigde van) werkneemster werkgeefster meermaals heeft aangemaand tot betaling. Werkgeefster wordt in de proceskosten veroordeeld.
