Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland (Locatie Alkmaar), 3 maart 2026
ECLI:NL:RBNHO:2026:2410
Feiten
Werkneemster is op 15 februari 2025 op oproepbasis in dienst getreden bij werkgeefster op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd tot en met 14 februari 2026. De functie van werkneemster is horecamedewerker met een loon van € 8,64 bruto per uur, te vermeerderen met 8,33% vakantietoeslag en 11,16% vergoeding voor vakantiedagen. Op de arbeidsovereenkomst is de cao Recreatie (hierna: de cao) van toepassing. Werkneemster heeft zich op 17 juli 2025 ziekgemeld bij werkgeefster. Sindsdien heeft zij niet meer voor werkgeefster gewerkt. Werkneemster vordert in kort geding loon (tijdens ziekte) over de periode van 1 juli 2025 tot en met 14 februari 2026. Werkgeefster voert verweer en concludeert tot (gedeeltelijke) afwijzing van de vorderingen. Werkgeefster voert daartoe primair aan dat zij de arbeidsovereenkomst vernietigt op grond van dwaling, subsidiair dat de arbeidsovereenkomst per 19 juli 2025 is geëindigd doordat werkneemster ontslag heeft genomen, meer subsidiair dat werkneemster een deskundigenverklaring van het UWV als bedoeld in artikel 7:629a lid 1 BW over had moeten leggen en uiterst subsidiair dat werkneemster tot 15 februari 2026 maximaal 127,62 uur gewerkt zou kunnen hebben, zodat een nabetaling van in totaal maximaal € 1.261,41 bruto zou kunnen plaatsvinden.
Oordeel
De kantonrechter oordeelt als volgt.
Beroep op dwaling van werkgeefster slaagt niet
Werkgeefster voert aan dat werkneemster voorafgaand aan het sluiten van de arbeidsovereenkomst heeft gezegd dat zij reuma heeft en dat dit geen belemmering voor haar werkzaamheden zou zijn, terwijl volgens werkgeefster in de praktijk is gebleken dat de reuma van werkneemster de uitvoering van het werk wel belemmert. De kantonrechter volgt werkgeefster hier niet in. Werkneemster heeft toegelicht dat zij in de vier zomerseizoenen voorafgaand aan haar sollicitatie bij werkgeefster in de horeca heeft gewerkt en dat haar reuma daarbij nooit een belemmering is geweest. Werkgeefster betwist dit niet. Voor het eerst in juli 2025 kon werkneemster niet werken vanwege reumaklachten. Uit niets blijkt dat zij al in februari 2025 had behoren te weten dat de reuma het komende jaar een belemmering zou worden. Daarvoor is onvoldoende dat reuma in het algemeen een onvoorspelbare ziekte is. Werkgeefster kan dan ook geen geslaagd beroep doen op vernietiging van de overeenkomst wegens dwaling. Van een opzegging van de arbeidsovereenkomst door werkneemster is geen sprake geweest, nu een duidelijke en ondubbelzinnige, op beëindiging gerichte wilsverklaring van werkneemster ontbreekt.
Deskundigenverklaring niet nodig
Voor het eerst op de zitting heeft werkgeefster de arbeidsongeschiktheid van werkneemster ter discussie gesteld. Voorafgaand aan de procedure is de arbeidsongeschiktheid van werkneemster nooit betwist. In die situatie kan in redelijkheid niet van werkneemster worden gevergd dat zij een deskundigenverklaring overlegt en vindt de kantonrechter dat in het kader van dit kort geding niet nodig.
Rechtsvermoeden arbeidsomvang
Gezien het voorgaande heeft werkneemster recht op doorbetaling van loon over de periode dat zij niet kon werken wegens ziekte, conform het bepaalde in artikel 7:629 BW en de cao Recreatie. De arbeidsovereenkomst is een oproepovereenkomst waarin niets staat over de arbeidsduur. Werkneemster beroept zich op het rechtsvermoeden van artikel 7:610b BW en stelt dat zij gemiddeld 124,75 uur per maand heeft gewerkt. Werkgeefster heeft dit rechtsvermoeden niet weten te weerleggen. Zij heeft evenmin aannemelijk gemaakt dat hantering van de wettelijke referteperiode van drie maanden geen representatief beeld geeft van de feitelijke omvang van de arbeidsduur. De loonvordering van werkneemster wordt, indachtig het gemiddeld aantal uren per maand en met matiging van de wettelijke verhoging tot 10%, toegewezen.
