Rechtspraak
Rechtbank Gelderland (Locatie Nijmegen), 21 november 2025
ECLI:NL:RBGEL:2025:11334
Feiten
Werknemer werkte vanaf 2015 bij een restaurant. Die onderneming is in 2022 overgenomen door werkgever. Werknemer heeft een arbeidsovereenkomst gesloten op basis waarvan hij met ingang van 1 oktober 2022 als chef-kok in dienst kwam bij werkgever, voor 32 uur per week. Deze arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd is na 30 september 2023 stilzwijgend voortgezet. Werknemer heeft zijn arbeidsovereenkomst per 25 juni 2024 opgezegd. Werkgever is bij vonnis van de rechtbank Oost-Brabant in 2025 failliet verklaard. Werknemer vordert onder meer achterstallig salaris met daarbij vakantietoeslag, uitbetaling vakantiedagen en de proceskosten.
Oordeel
Aangezien werknemer als werknemer een loonvordering heeft ingediend moet de kantonrechter eerst beoordelen wie de werkgever van werknemer is geweest. Werknemer stelt zich namelijk op het standpunt dat alle gedaagden in feite moeten worden beschouwd als zijn werkgever. Volgens hem was er eigenlijk maar één persoon die alles besliste en dat was werkgever, die zeggenschap heeft over alle gedaagde ondernemingen. Daarom heeft hij zijn loonvorderingen tegen alle vier de gedaagden ingesteld, aldus werknemer. De kantonrechter is van oordeel dat (alleen) werkgever de werkgever van werknemer is geweest. Werknemer heeft immers de arbeidsovereenkomst met werknemer gesloten en alleen de gegevens van werkgever staan op de arbeidsovereenkomst. Daarnaast bevond het restaurant waar werknemer altijd heeft gewerkt zich op het adres van werkgever. Tijdens de zitting heeft de gemachtigde van werknemer overigens ook gezegd dat werknemer formeel in dienst is getreden bij werkgever. Dat zijn loon soms werd betaald door werkgever 2 rechtvaardigt niet de conclusie dat werkgever 2 (ook) de werkgever van werknemer is geweest. Vast staat dat de loonvordering van werknemer is ontstaan voorafgaand aan het uitspreken van het faillissement van werkgever. Deze vordering heeft ten doel de voldoening van een verbintenis uit de failliete boedel. Dit betekent dat het geding met betrekking tot werkgever, gelet op artikel 29 Faillissementswet (Fw), van rechtswege wordt geschorst per de datum van faillietverklaring en wordt, zoals in artikel 29 Fw is bepaald, alleen dan voortgezet, indien de verificatie van de tegen haar ingestelde vorderingen wordt betwist. Gedurende de schorsing verrichte proceshandelingen zijn nietig, behalve voor zover het gaat om handelingen die de schorsing zelf betreffen of die nodig zijn om verval van instantie te bewerkstelligen.
