Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Utrecht), 26 februari 2026
ECLI:NL:RBMNE:2026:861
Feiten
Onderneming A heeft, na het doorlopen van een aanbestedingstraject, een overeenkomst van opdracht gesloten met de gemeente Utrecht voor het leveren van schoonmaakdiensten voor locaties van de gemeente met ingang van 1 januari 2024 voor de duur van twee jaar. Op grond van artikel 44 Cao Schoonmaak heeft onderneming A drie werknemers overgenomen van het bedrijf dat voor onderneming A de schoonmaakwerkzaamheden voor de gemeente Utrecht uitvoerde. De overeenkomst van opdracht tussen onderneming A en de gemeente Utrecht is per 1 januari 2026 geëindigd. Na 1 januari 2026 is onderneming B de partij die feitelijk de schoonmaakwerkzaamheden uitvoert voor de gemeente Utrecht. Onderneming A vordert in deze procedure dat onderneming B op grond van artikel 44 Cao Schoonmaak wordt veroordeeld om ook aan deze drie werknemers van onderneming A een aanbod te doen, zodat zij hun werkzaamheden kunnen voortzetten.
Oordeel
De vraag die in deze zaak beantwoord moet worden is of onderneming B onder de werkingssfeer van de Cao Schoonmaak valt en op grond daarvan een aanbod moet doen tot overname van de drie werknemers die bij onderneming A in dienst zijn. Vooropgesteld wordt dat bij de uitleg van een cao-bepaling in beginsel de bewoordingen daarvan en de eventueel daarbij behorende schriftelijke toelichting, gelezen in het licht van de gehele tekst van de overeenkomst, van doorslaggevende betekenis zijn. De aannemelijkheid van de rechtsgevolgen is waar de vorderingen van onderneming A naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter op stranden. Bij een zuiver tekstuele uitleg van de werkingssfeerbepaling in de Cao Schoonmaak, zoals onderneming A doet, zou dit betekenen dat onderneming B onder de werkingssfeer van de Cao Schoonmaak valt. Onderneming B is echter een sociaal ontwikkelbedrijf dat zich richt op het bieden van arbeidsmogelijkheden aan mensen die daarop zijn aangewezen vanwege een functionele beperking dan wel een structurele afstand hebben tot de arbeidsmarkt en die nadere begeleiding bij het uitvoeren van de werkzaamheden nodig hebben. Op de medewerkers die bij onderneming B werken, zijn andere cao’s van toepassing, namelijk de Cao Aan de Slag en de Cao Sociale Werkvoorziening. Op het moment dat geoordeeld zou worden dat onderneming B als sociaal ontwikkelbedrijf onder het toepassingsbereik van de Cao Schoonmaak zou vallen, zou dit zowel in de situatie waarbij onderneming B de werkzaamheden overneemt, als bij de situatie waarbij een ander schoonmaakbedrijf de werkzaamheden van onderneming B overneemt, zeer onwenselijke gevolgen hebben. In het eerste geval zou het ertoe leiden dat onderneming B werknemers in dienst krijgt die niet zijn aangewezen op een beschermde werkomgeving, waardoor onderneming B dat werk niet kan aanbieden aan werknemers die daarop wel zijn aangewezen. In het tweede geval betekent het dat een schoonmaakbedrijf dat een project verwerft waarbij voorheen onderneming B of een ander sociaal ontwikkelbedrijf de werkzaamheden verrichtte, verplicht zou zijn de op dat project werkzame werknemers met een ernstige arbeidsbeperking (zonder de benodigde begeleiding) over te nemen. Voor deze werknemers zou dit dan betekenen dat zij hun beschermde werkomgeving verliezen, terwijl zij dit juist zo nodig hebben. Dat de werknemers niet verplicht zijn om over te gaan, maakt dit niet anders, omdat er niet van uit kan worden gegaan dat de werknemers van onderneming B in staat zijn om de gevolgen van die overgang in te schatten. De voorzieningenrechter wijst de vorderingen van onderneming A in deze procedure af, omdat het niet aannemelijk is dat de vorderingen van onderneming A in een eventuele bodemprocedure zullen worden toegewezen.
