Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant (Locatie Breda), 2 maart 2026
ECLI:NL:RBZWB:2026:1329
Feiten
Werknemer heeft in de periode van 30 januari 2025 tot en met 21 april 2025 werkzaamheden verricht voor de tattooshop van werkgeefster. Werknemer vordert in kort geding veroordeling van werkgeefster tot betaling van € 6.856,01 bruto aan achterstallig loon inclusief vakantietoeslag, vermeerderd met de wettelijke verhoging en wettelijke rente. Ook vordert werknemer betaling van € 847,50 aan reiskosten. Tot slot vordert werknemer een bedrag van € 1.500 als vergoeding van een iPad. De iPad van werknemer, met daarop zijn originele tattoodesigns, bevond zich op het moment van het einde van de arbeidsovereenkomst nog in de tattooshop en is door werkgeefster nooit teruggegeven, aldus werknemer.
Oordeel
De kantonrechter oordeelt als volgt. De vordering ziet op betaling van achterstallig loon over de periode van 30 januari tot en met 21 april 2025. Werknemer heeft op 24 december 2025 een datum voor een mondelinge behandeling in kort geding aangevraagd. Gelet op dit ruime tijdsverloop is de stelling in de dagvaarding dat het spoedeisend belang uit de aard van de vordering volgt onvoldoende. Het spoedeisend belang is dan ook onvoldoende onderbouwd. Ook is voor een beoordeling van de vorderingen nader onderzoek en bewijslevering vereist. Partijen verschillen wezenlijk van mening over de inhoud van de mondelinge afspraken die zijn gemaakt. Volgens werknemer is afgesproken dat hij op basis van een arbeidsovereenkomst werkzaamheden als tatoeëerder zou uitvoeren. Volgens werkgeefster was sprake van een stageovereenkomst en mocht werknemer vanwege het gebrek aan vereiste certificaten niet eens tatoeages zetten. Hij zou volgens werkgeefster geen vergoeding krijgen. Werknemer heeft in totaal een bedrag van € 1.960 ontvangen van werkgeefster. Werkgeefster heeft daar tijdens de mondelinge behandeling geen voldoende verklaring voor kunnen geven, de betalingen zouden gedaan kunnen zijn voor de aanschaf van producten. Werknemer stelt dat hij zijn iPad heeft meegenomen naar de shop, maar werkgeefster betwist dit. Kortom, er is nadere bewijslevering nodig om vast te stellen hoe de samenwerking is verlopen en daarvoor is in kort geding geen plaats. Afwijzing van de vorderingen volgt.
