Rechtspraak
Gerechtshof Den Haag (Locatie Den Haag), 24 februari 2026
ECLI:NL:GHDHA:2026:198
Feiten
Werkneemster is op 1 mei 2023 bij Rover, een cafetaria bestaande uit een snackbar en een café, in dienst getreden als horecamedewerkster in de snackbar. Zij werkte 15 uur per week tegen een salaris van € 1.454,32 bruto per maand. Nadat werkneemster op 17 januari 2025 heeft geweigerd een bestelling te verwerken is zij na een ziekmelding op staande voet ontslagen. In eerste aanleg heeft de kantonrechter geoordeeld dat het ontslag op staande voet ten onrechte is gegeven en is Rover veroordeeld tot betaling van een billijke vergoeding, transitievergoeding en de gefixeerde schadevergoeding en tevens tot betaling van de vakantietoeslag en de openstaande vakantiedagen. In hoger beroep concludeert Rover dat het hof de bestreden beschikking zal vernietigen en voor recht zal verklaren dat het ontslag op staande voet terecht en rechtsgeldig is verleend, met veroordeling van werkneemster tot terugbetaling aan Rover van de bedragen die Rover op grond van de bestreden beschikking aan haar heeft voldaan. Verder heeft Rover verzocht om werkneemster te veroordelen tot betaling van € 29.000 aan juridische kosten die Rover heeft moeten maken. Tot slot – naar het hof begrijpt: subsidiair – heeft Rover verzocht om werkneemster te veroordelen tot terugbetaling van het bedrag van € 439,53 bruto voor te veel uitbetaalde vakantie-uren. In incidenteel appèl heeft werkneemster verzocht om de bestreden beschikking deels te vernietigen, voor zover daarbij een bedrag van € 2.330,67 bruto aan gefixeerde schadevergoeding en een bedrag van € 961,29 aan transitievergoeding is toegekend. In plaats daarvan heeft zij het hof verzocht om een bedrag van € 7.068,02 bruto aan gefixeerde schadevergoeding toe te wijzen en een bedrag van € 1.092,18 bruto aan transitievergoeding.
Oordeel
Principaal appèl
Naast alle omstandigheden van het individuele geval (verstoorde verhouding tussen werkneemster en de eigenaar) is het hof van oordeel dat de handelwijze van werkneemster onvoldoende is om een ontslag op staande voet te rechtvaardigen. In de gegeven omstandigheden had het op de weg van Rover gelegen om voor een minder vergaande maatregel te kiezen dan een ontslag op staande voet. Zo had Rover er bijvoorbeeld voor kunnen kiezen om werkneemster een waarschuwing te geven voor het weigeren van een (in haar ogen) redelijke instructie. Ook had Rover de bedrijfsarts kunnen laten controleren of werkneemster zich, zoals Rover vermoedde, onterecht had ziekgemeld. Aldus is geen sprake van een geldige dringende reden voor ontslag op staande voet. Rover heeft een bedrag van € 29.000 gevorderd aan juridische kosten wegens misbruik van procesrecht. Het hof oordeelt dat Rover deze vordering niet concreet heeft onderbouwd. Rover heeft de stelling dat zij 19,16 uur te veel aan vakantiedagen heeft uitbetaald onvoldoende toegelicht.
Incidenteel appèl
In incidenteel appèl heeft werkneemster aangevoerd dat Rover moet worden beschouwd als opvolgend werkgever in de zin van artikel 7:668a lid 2 BW. Dit heeft volgens haar gevolgen voor de omvang van de gefixeerde schadevergoeding en de transitievergoeding. Werkneemster is in 2008 in dienst getreden bij Café Ververs. Dat café was gevestigd op dezelfde locatie als waar de cafetaria van Rover is gevestigd. Ook café Ververs bestond uit een snackbar en een café. Werkneemster verrichtte bij café Ververs, naar eigen zeggen, dezelfde soort werkzaamheden als bij Rover. De arbeidsovereenkomst die werkneemster bij Café Ververs had, telt op grond van artikel 7:668a lid 2 BW mee voor de duur van de arbeidsovereenkomst met Rover indien de beide werkgevers (Café Ververs en Rover) ten aanzien van de verrichte arbeid redelijkerwijs geacht moeten worden elkaars opvolger te zijn. Daarvan is naar het oordeel van het hof in dit geval geen sprake. De beide werkgevers hebben/hadden een soortgelijke onderneming en zij exploiteerden hun onderneming (achtereenvolgens) in hetzelfde pand. Deze omstandigheden zijn onvoldoende om Rover te beschouwen als opvolger van Café Ververs in de zin van artikel 7:668a lid 2 BW. Daarbij acht het hof van belang dat er geen (relevante) band bestaat of heeft bestaan tussen de beide werkgevers. De incidentele grief is ongegrond. Het hof bekrachtigt de beschikking van de kantonrechter Rotterdam van 27 mei 2025.
