Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/werkgever
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Utrecht), 24 februari 2026
ECLI:NL:RBMNE:2026:823
Intrekking van een kort geding na dagvaarding van de verkeerde partij leidt niet zonder meer tot integrale proceskostenveroordeling; zonder misbruik van procesrecht geldt het liquidatietarief.

Feiten

Werknemer heeft in kort geding loon en nevenvorderingen ingesteld tegen [gedaagde sub 1] B.V., [gedaagde sub 2] B.V. en [gedaagde sub 3] B.V. Nadat gedaagden in hun verweer hadden aangevoerd dat niet een van deze vennootschappen, maar [bedrijf] v.o.f. de werkgever van werknemer is, heeft werknemer het kort geding ingetrokken. Na de intrekking hebben gedaagden de voorzieningenrechter verzocht alsnog te beslissen over de proceskosten. Zij stellen dat werknemer een grove fout heeft gemaakt door de verkeerde partijen te dagvaarden en verzoeken om veroordeling van werknemer in de werkelijke proceskosten, althans in de proceskosten volgens het liquidatietarief. Werknemer stelt daartegenover dat sprake is van verwarring en niet van misbruik van procesrecht of onrechtmatig procederen. Partijen twisten daarmee over de vraag of de intrekking van het kort geding aanleiding geeft voor een integrale proceskostenveroordeling.

Oordeel

De kantonrechter oordeelt als volgt. Dat werknemer het kort geding heeft ingetrokken, betekent niet zonder meer dat de zaak haar aanhangigheid heeft verloren. Als de gedaagde tijdig laat weten dat zij een beslissing over de proceskosten verlangt, kan de voorzieningenrechter daarover alsnog oordelen. Dat is hier gebeurd, zodat alleen nog op de proceskosten moet worden beslist. Voor een veroordeling in de werkelijke proceskosten geldt als uitgangspunt dat de wettelijke regeling van proceskosten een exclusief en limitatief karakter heeft. Slechts in uitzonderlijke gevallen, zoals bij misbruik van procesrecht of onrechtmatig procederen, kan daarvan worden afgeweken en kan een integrale proceskostenveroordeling volgen. Daarvan is pas sprake als een partij een vordering instelt terwijl zij weet of behoort te weten dat die evident ongegrond is. De rechter moet daarmee terughoudend omgaan, mede gelet op de toegang tot de rechter. Van zo’n uitzonderlijk geval is hier geen sprake. De voorzieningenrechter gaat ervan uit dat werknemer niet bewust de verkeerde partijen heeft gedagvaard. Werknemer had er ook geen belang bij om bewust de verkeerde vennootschappen in rechte te betrekken. Daarom is geen sprake van misbruik van procesrecht of onrechtmatig procederen. De proceskosten worden daarom niet integraal toegewezen, maar begroot volgens het gebruikelijke liquidatietarief.