Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 26 januari 2026
ECLI:NL:RBROT:2026:1991
Feiten
Werkneemster is op 1 juli 2024 in dienst getreden bij Pro-Verkeer B.V. (hierna: Pro-Verkeer) als administratief medewerkster. Zij heeft zich op 12 mei 2025 ziekgemeld. De bedrijfsarts adviseerde partijen om met elkaar in gesprek te gaan over de problemen in de arbeidsverhouding. Dat heeft geleid tot een beëindiging van de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden, vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst (vso). Werkneemster heeft zich daarna op 20 augustus 2025 beter gemeld. In de vso is bepaald dat het dienstverband per 30 september 2025 eindigt, dat werkneemster tot die datum is vrijgesteld van werkzaamheden en dat Pro-Verkeer tot het einde van het dienstverband het gebruikelijke salaris doorbetaalt, met opbouw van pensioen, vakantiegeld en vakantiedagen. Ook is afgesproken dat bij de eindafrekening alle positief opgebouwde tegoeden worden voldaan, minus te verrekenen zaken, met name ongeoorloofd tankgedrag. Verder hebben partijen elkaar finale kwijting verleend, behoudens de verplichtingen uit de vso zelf. Volgens werkneemster is Pro-Verkeer de vso niet correct nagekomen. Pro-Verkeer heeft bij de eindafrekening volgens haar ten onrechte bedragen ingehouden en bovendien te weinig loon en vakantiegeld betaald. Werkneemster vordert daarom onder meer betaling van achterstallig loon, vakantiegeld en de ingehouden 13e maand. Partijen twisten met name over de vraag of Pro-Verkeer nog bedragen mocht inhouden wegens een volgens haar ten onrechte betaalde 13e maand en wegens ongeoorloofd tankgedrag.
Oordeel
De kantonrechter oordeelt als volgt. Partijen zijn gebonden aan de vso. Wat Pro-Verkeer heeft aangevoerd over de gang van zaken na de ziekmelding levert geen grond op voor vernietiging of ontbinding van die overeenkomst. Daarom moet worden uitgegaan van de afspraken uit de vso. Omdat werkneemster zich op 20 augustus 2025 beter heeft gemeld en niet is gebleken dat de bedrijfsarts haar toen nog arbeidsongeschikt achtte, had zij vanaf dat moment weer recht op volledige loonbetaling. Dat zij feitelijk niet werkte, maakt dit niet anders, omdat zij op grond van de vso was vrijgesteld van werkzaamheden. De afspraak dat het “gebruikelijke salaris” zou worden doorbetaald, betekent volgens de kantonrechter dat 100% van het loon verschuldigd was. Pro-Verkeer moet daarom het nog openstaande deel van het salaris over september 2025 en het resterende vakantiegeld betalen. Ook de inhouding van de 13e maand houdt geen stand. Door de finale kwijting in de vso kan Pro-Verkeer niet alsnog terugkomen op de betaling van de 13e maand in december 2024. Een uitdrukkelijk voorbehoud daarvoor is niet in de vso opgenomen. Dat bedrag moet daarom alsnog aan werkneemster worden betaald. Anders ligt dat bij het tankgedrag. Voor ongeoorloofd tankgedrag is in de vso wel expliciet een voorbehoud gemaakt. De kantonrechter acht voldoende aannemelijk dat de tankpas alleen voor woon-werkverkeer mocht worden gebruikt en dat werkneemster voor een hoger bedrag heeft getankt dan daarmee overeenstemt. De door Pro-Verkeer gemaakte berekening is onvoldoende gemotiveerd betwist. De inhouding wegens ongeoorloofd tankgedrag mocht daarom wel plaatsvinden.
