Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 10 februari 2026
ECLI:NL:RBROT:2026:1833
Feiten
Werknemer is per 17 augustus 2020 in dienst getreden bij Esselink Bouwmaterialen B.V. (hierna: Esselink) in de functie van magazijnmedewerker. Vanaf 7 mei 2025 is werknemer re-integratiewerkzaamheden gaan verrichten. Werknemer is op 28 juli 2025 op staande voet ontslagen, omdat hij tijdens zijn arbeidsongeschiktheid werd gezien in een café-restaurant waar hij werkzaamheden achter de bar verrichtte. Werknemer heeft dit niet ontkend, maar heeft aangegeven dat hij slechts enkele uren zonder vergoeding een vriend heeft geholpen door biertjes te tappen in het kader van de jaarlijkse Visserijdagen. De bewindvoerders van werknemer komen op tegen het ontslag op staande voet, en verzoeken vernietiging van het ontslag. Volgens Esselink zijn de bewindvoerders niet-ontvankelijk in hun verzoeken, omdat ze geen machtiging hebben om te procederen.
Oordeel
De kantonrechter oordeelt als volgt. Werknemer is onder bewind gesteld van zijn ouders. Tijdens het bewind vertegenwoordigen bewindvoerders de rechthebbende in en buiten rechte. Hoewel de procedure gestart is door werknemer, worden de bewindvoerders formeel aangemerkt als de verzoekende partij, omdat zij zich bereid hebben verklaard het geding als procespartij over te nemen. Een machtiging van de kantonrechter is hiervoor niet nodig. Ter zitting is verklaard dat werknemer berust in het ontslag op staande voet. In het arbeidsvoorwaardenreglement van Esselink is bepaald dat werknemer tijdens ziekte geen arbeid mag verrichten. Onduidelijk is wat met arbeid bedoeld is. Esselink stelt dat er sprake was van arbeid omdat werknemer werkzaamheden heeft verricht die hem energie kostten. Esselink beschuldigt werknemer van diefstal van energie. Partijen zijn het niet eens over de belastbaarheid die de werkzaamheden in de bar meebrachten en hoe dit zich verhoudt tot de energetisch verminderde belastbaarheid van werknemer. Dit betreft een medisch oordeel. Van Esselink had verwacht mogen worden dat zij de bedrijfsarts had geraadpleegd. Esselink had met een lichtere sanctie moeten volstaan, zoals een loonstaking of opschorting. Een dringende reden ontbreekt, waarbij meespeelt dat het een eenmalig incident betreft, er geen sprake was van concurrerende werkzaamheden en werknemer niet betaald kreeg. Esselink wordt veroordeeld de transitievergoeding te betalen. Esselink heeft aangevoerd dat een bedrag van € 2.090,25 aan voor werknemer gemaakte opleidingskosten op de transitievergoeding in mindering moet worden gebracht. Esselink heeft in haar verweerschrift echter uitdrukkelijk verzocht alleen in het kader van haar voorwaardelijke ontbindingsverzoek de opleidingskosten in mindering te brengen op de in dat geval verschuldigde transitievergoeding. Aan de beoordeling van het voorwaardelijke ontbindingsverzoek komt de kantonrechter zoals gezegd niet meer toe. Esselink heeft ter zitting weliswaar aangegeven dat een en ander zo moet worden gelezen dat het verzoek om de opleidingskosten in mindering te brengen op de transitievergoeding onvoorwaardelijk is, maar daarin volgt de kantonrechter Esselink niet. Ook moet Esselink de gefixeerde schadevergoeding betalen. Er wordt een billijke vergoeding van € 10.000aan werknemer toegekend. Hierbij wordt meegewogen dat de inkomensschade van werknemer ongeveer € 7.000 bedraagt. Hierbij wordt ook meegewogen dat er enige afschrikwekkende werking voor de werkgever van uit mag gaan. Esselink wordt veroordeeld tot betaling van de voor de procedure gemaakte juridische kosten. Ook wordt Esselink in de proceskosten veroordeeld.
