Naar boven ↑

Rechtspraak

werkneemster/werkgever
Rechtbank Noord-Holland (Locatie Zaanstad), 5 maart 2026
ECLI:NL:RBNHO:2026:2276
Werkneemster vordert betaling van het loon na hersteldmelding en beschikbaarstelling voor werk.

Feiten

Werkneemster is op 26 juni 2017 in dienst getreden bij werkgever en vervult de functie van  officemanager, met een loon van € 2.214,19 bruto per maand. Zij is op 6 november 2020 wegens ziekte uitgevallen voor haar werk. Op 4 april 2024 is haar een WIA-uitkering toegekend, op basis van een mate van arbeidsongeschiktheid van 39,19% en met ingang van 18 maart 2024. In de beslissing staat ook dat werkneemster normaal gesproken 104 weken na de eerste ziektedag een WIA-uitkering krijgt, maar dat in dit geval van een latere datum wordt uitgegaan, omdat de werkgever het loon tijdens ziekte tot 17 maart 2024 moest doorbetalen. Werkneemster heeft in een e-mail van 26 februari 2025 aan werkgever laten weten dat zij per 1 maart 2025 weer volledig beschikbaar is voor haar werk. Werkgever heeft na 1 maart 2025 geen loon betaald, heeft werkneemster ook niet opgeroepen om te komen werken en heeft geen arbodienst, bedrijfsarts of arbeidsdeskundige ingeschakeld. Werkgever heeft een ontslagaanvraag ingediend bij het UWV. Werkneemster vordert loon vanaf 1 maart 2025. Werkgever erkent gehouden te zijn tot betaling van het loon. Volgens werkgever moet de vordering worden afgewezen, omdat werkneemster op grond van artikel 7:629 lid 1 BW alleen aanspraak heeft op 70% van haar loon en daarop nog in mindering moet komen de WIA-uitkering die aan haar wordt betaald.

Oordeel

De kantonrechter oordeelt dat de vordering van werkneemster grotendeels moet worden toegewezen, omdat (i) werkgever heeft erkend gehouden te zijn tot betaling van het loon vanaf 1 maart 2025, (ii) het verweer van werkgever dat werkneemster op grond van artikel 7:629 lid 1 BW alleen aanspraak heeft op 70% van haar loon en niet op 100%, niet opgaat, (iii) er sprake is van zowel een loonsanctie van het UWV als van een verlenging op verzoek van partijen, waardoor het tijdvak als bedoeld in artikel 7:629 lid 1 BW is verlengd tot 18 maart 2024, en (iv) er na 18 maart 2024 geen recht meer kan zijn op doorbetaling van loon tijdens ziekte omdat artikel 7:629 lid 1 BW niet meer van toepassing is. Overigens constateert de kantonrechter dat er ook geen reden is om te oordelen dat werkneemster per 1 maart 2025 nog wegens ziekte verhinderd was om de bedongen arbeid, te weten haar functie als officemanager, te verrichten. Zij heeft zich hersteld gemeld en toegelicht dat haar medische klachten niet meer aanwezig zijn. De kantonrechter neemt als vaststaand aan dat werkneemster op en na 1 maart 2025 niet meer wegens ziekte ongeschikt was voor haar eigen werk of andere (passende) werkzaamheden. Daaraan doet niet af dat werkneemster op en na 1 maart 2025 een WIA-uitkering heeft ontvangen, ook omdat voldoende aannemelijk is dat die uitkering met terugwerkende kracht zal worden ingetrokken. De loonvordering moet worden beoordeeld op basis van artikel 7:628 lid 1 BW. De stelling van werkgever dat op de loonbetaling de WIA-uitkering in mindering moet komen treft naar het oordeel van de kantonechter geen doel omdat werkneemster voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat haar geen WIA-uitkering toekomt per 1 maart 2025 en dat de toegekende WIA-uitkering met terugwerkende kracht zal worden ingetrokken of verlaagd naar nihil. Er is daarom geen grondslag om die uitkering in mindering te brengen op het loon.